Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Machtsevenwicht in Suriname

Cultuur

HUGO POS

Review

Alex van Stipriaan: Surinaams contrast - Roofbouw en overleven in een Caraibische plantagekolonie 1750-1863. KITLV Uitgeverij, Leiden; f 60.

Deze reputatie is al vroeg ontstaan. In 1759 kiest Voltaire Suriname als locatie wanneer hij in 'Candide' de slavernij ter discussie wil stellen. Een neger die een been en een hand mist, vertelt Candide over de praktijken van zijn meester, 'de beroemde handelaar meneer Vanderdendur':

“Als we tijdens het werken in de suikermolens met een vinger tussen de molenstenen raken, dan hakken ze de hand af; proberen we weg te lopen, dan hakken ze een been af. Het is mij beide overkomen. Dat is de prijs van de suiker die u eet in Europa.'

Dit beeld werd zeker niet ontkracht door de vele voorbeelden van de wrede behandeling van slaven die de Engelse kapitein John Gabriel Stedman dertig jaar later zou publiceren. Het was met name dit verslag van Stedmans vijfjarige dienst in Suriname, dat de reputatie van de Hollanders stevig zou verankeren.

Verklaringen

Voor de hardheid van de Surinaamse slavernij zijn vele verklaringen geopperd. Zo zou de slavernij in de Spaanse en Portugese gebieden milder zijn geweest, omdat daar de slaven gedoopt werden en dus als mensen gezien, terwijl ze voor de protestantse Nederlanders slechts een economisch goed waren. Ook is aangevoerd dat de slavernij in Suriname harder was, omdat de suikerplantages daar, als enige plaats in het Caraibisch gebied, een uitgebreid netwerk van irrigatiekanalen nodig hadden, dat uit de zware klei uitgegraven moest worden. Bovendien moest er, toen de plantages na de beurskrach van 1773 in financiele problemen zouden zijn gekomen, met zo weinig mogelijk slaven zo veel mogelijk worden geproduceerd. Het toenemend absenteisme van de eigenaars en hun vervanging door elkaar snel opvolgende beheerders die op korte termijn een maximaal rendement wilden zien zonder rekening te houden met de gevolgen op langere termijn, zou fnuikend zijn geweest.

Sprekende cijfers

Alex van Stipriaan bouwt in 'Surinaams contrast', zijn tot handelseditie omgewerkte proefschrift, voort op een lange en gedegen traditie van onderzoek, waarin de bovenstaande denkbeelden reeds genuanceerd zijn. De grote verdienste van zijn boek is dat het harde cijfers aan het spreken krijgt en aan de hand daarvan met een grote mate van waarschijnlijkheid conclusies trekt.

Gedurende tien jaar heeft Van Stipriaan gegevens verzameld uit meer dan 200 plantage-archieven; hij heeft zijn uitkomsten ook kunnen vergelijken met gegevens uit andere Caraibische gebieden. Op het eerste gezicht een ondankbaar monnikenwerk. Eindeloze hoeveelheden cijfers moesten worden doorgespit - cijfers over oogsten, opbrengsten, investeringen, slavenaankopen, rampen - en correspondenties tussen eigenaren en beheerders.

Geen enerverende literatuur. Maar wel literatuur die bij zorgvuldige analyse veel geheimen kan ontsluieren. Door jaar in jaar uit per plantage de ontwikkelingen te volgen kon Van Stipriaan zich een duidelijk beeld vormen van zo'n plantage. Hoeveel slaven moesten hoeveel werk doen om welke opbrengst te bereiken? Hoe hoog was de sterfte? Hoe groot was de aanvoer van verse slaven? Hoe lang ging een slaaf mee?

Door de gegevens van een groot aantal plantages naast elkaar te leggen en te vergelijken met andere bronnen, weet Van Stipriaan niet alleen een gefundeerd beeld van de slavenmaatschappij te schetsen, maar ook heel wat veronderstellingen te toetsen.

Dat de plantage-economie na de beurskrach van 1773 ingestort zou zijn, blijkt niet juist. Hoewel er financiele problemen waren en het absenteisme toenam, was een eeuw later de omvang van de plantage-economie nog globaal gelijk. Van Stipriaan ontzenuwt ook de veronderstelling dat een slavenmaatschappij innovatie zou tegenhouden. Al in een vroeg stadium begonnen suikerplantages op grote schaal stoommachines te gebruiken om de suikermolens aan te drijven.

Managers

Vergelijkt Van Stipriaan zijn gegevens met die van slaven-economieen in de regio, dan ziet hij geen enkele reden om aan te nemen dat slaven in Suriname slechter behandeld werden of harder moesten werken dan elders. Wel was het zo dat de suikerplantages een hogere tol eisten, zeker in de aanlegfase, als het kanalenstelsel gegraven moest worden. Maar de eigenaars/beheerders van de plantage waren in eerste instantie managers. Slaven waren duur en mochten dus niet verspild worden. Voortdurend werd de afweging gemaakt wat meer rendabel was: het in korte tijd opbranden van een slaaf, of een langere arbeidsproduktiviteit.

Van Stipriaan maakt de nuancering aannemelijk dat over het algemeen de repressie minder was op plantages die ver van het oerwoud af lagen en zwaarder in de gebieden waar slaven makkelijk konden weglopen. Hij toont ook aan dat gevluchte slaven niet in eerste instantie een economisch probleem voor de plantages vormden. Hun aantal was niet enorm. Het probleem zat hem veel meer in de militaire dreiging die van de marrons uitging, en in de overvallen op plantages. En natuurlijk in het slechte voorbeeld.

Velen van de weggelopen slaven waren zogenaamde zoutwaternegers: in Afrika geboren slaven. Het aantal weglopers onder de in Suriname geborenen was veel lager, zij hadden immers hun roots, (voor)ouders en familie, op de plantage.

Machtsevenwicht

Misschien de belangrijkste conclusie van het boek is dat de Surinaamse slavenmaatschappij niet balanceerde op die twee uitersten, zware repressie en marronage. Van Stipriaan documenteert duidelijk dat de slaven geen passieve massa waren, maar dat er een subtiel machtsevenwicht bestond tussen slaven en beheerders. Vond een beheerder de hele slavenploeg tegenover zich, dan stond hij machteloos. Overreding en onderhandeling werkten beter dan een harde machtspolitiek.

Boekdelen spreekt bijvoorbeeld de confrontatie op plantage Zeezicht in 1835 tussen de slaven en de nieuwe directeur Guicherit. De slaven gingen in verzet, hun protesten mondden uit in werkweigering en staking, met als uiteindelijk gevolg het ontslag van Guicherit. Sabotage en werkstakingen waren niet uitzonderlijk.

Van Stipriaan heeft met zijn noeste arbeid een belangrijke bijdrage geleverd tot begrip van de Surinaamse slavenmaatschappij. Met harde cijfers ontkracht zijn proefschrift een aantal gangbare inzichten, die grotendeels op het standaardwerk van Wolkers gebaseerd zijn, en legt het een gedegen fundament onder andere visies.

Deel dit artikel