Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Maarten ’t Hart vindt oude trage psalmen net jazz

Cultuur

door Willem Pekelder

Review

Het geloof der vaderen heeft hij verloren, maar het vuur voor de psalmen brandt nog altijd in Maarten ’t Hart. Liefst in de oude berijming. Met een roman (’Het Psalmenoproer’) en een expositie in zijn geboorteplaats Maassluis betuigt de schrijver zijn liefde aan de ’jazz van de achttiende eeuw’.

Het zal niet vaak gebeuren dat museumbezoekers massaal in psalmgezang losbarsten, maar afgelopen weekeinde was dat in het gemeentemuseum van Maassluis het geval. Maarten ’t Hart opende in zijn geboortedorp een tentoonstelling over het Psalmenoproer en zette daartoe met heldere tenorstem psalm 84 in. Aarzelend volgden de burgemeester, de wethouder en de rest van het genodigde publiek: ’Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot’ Lekker traag met flinke uithalen.

Toch werd er in de achttiende eeuw nog tien keer langzamer gezongen, vermoedt de auteur. „Over één psalm deden de kerkgangers een kwartier.” Totdat de Staten-Generaal in 1773 een nieuwe psalmberijming invoerde, ter vervanging van die van Datheen, waarbij tevens het langzame zingen op hele noten werd uitgebannen. De ’korte zingtrant’ leidde her en der in het land tot protestants verzet, maar Maassluis spande de kroon. Het kerkvolk, vooral vissers, ging plunderend door de straten, kerkelijke en burgerlijke autoriteiten werden bedreigd en er vielen zwaargewonden. De rust keerde pas weer nadat de baljuw van Delfland (overheidsdienaar) met een gewapende troepenmacht had ingegrepen, zo beschrijft ’t Hart in zijn historische roman ’Het Psalmenoproer’.

Op verzoek van de auteur richtte het gemeentemuseum een tentoonstelling in over de meest revolutionaire periode uit de historie van Maassluis. De bescheiden expositie beschrijft de geschiedenis van de diverse psalmberijmingen die het Nederlandse protestantisme heeft gekend: vanaf de tijd dat er in de kerk nauwelijks werd gemusiceerd (orgelklanken wekken ’werrelticken luesten ende geilheit des vleisches op’, heette het vlak na de Reformatie) via de berijming van Datheen (ingevoerd in 1571, en in streng-orthodoxe kring nog steeds in gebruik) tot de nieuwste berijming van 1973. Diverse psalmbundels, een nagebouwde comptoirkamer – een kantoor aan huis, waarover reders, zoals ’t Harts romanfiguur Roemer Stroombreker, vroeger beschikten –, enkele afbeeldingen uit de tijd dat Maassluis een bloeiende vissersplaats was en een maquette van de Groote Kerk moeten de bezoeker terugbrengen in die roerige jaren eind achttiende eeuw.

De tentoonstelling doet van de ongeregeldheden op kleurrijke wijze verslag: op 27 augustus 1775 verstoren vissers in de Groote Kerk met ’schaapachtig geblaat’ de korte zingtrant en een maand later „schelden vissers, vrouwen en jongens ds. Van Sprang en organist Bruyninkhuizen midden in het gezicht uit”. Ze dreigen zelfs het orgel kapot te maken.

Officiële oorzaak van het Psalmenoproer was de vermeende oneerbiedigheid van de korte zingtrant (’dans- en comediezang’) die in de ogen van het vrome, orthodoxe vissersvolk de gramschap van de Algenoegzame zou opwekken. Maar er speelden volgens ’t Hart, die gedurende vijf jaar research pleegde voor zijn eerste historische roman, meerdere factoren. De visserij was eind achttiende eeuw in Maassluis, mede als gevolg van de Engelse Zeeoorlog, een bedrijfstak in verval. Het Psalmenoproer zou in wezen een opstand zijn van de arme vissers tegen de rijke reders. Ook in andere vissersplaatsen, zoals Vlaardingen en op Walcheren, leidde de invoering van de Statenberijming tot revolutionaire taferelen. Het verzet tegen een door de overheid opgelegde nieuwe berijming paste bovendien geheel in de geest van de Verlichting, die de burgerij grotere invloed gaf en uiteindelijk korte metten zou maken met de tot dan toe innige verstrengeling van kerk en staat.

Naar de smaak van ’t Hart was de ’nare, koppige aard van de Maasluizenaren’, waarbij ’alles wat nieuw is en van buiten komt wordt afgewezen’ een extra oorzaak van de heftigheid van het Psalmenoproer. Die ’koppigheid’ leidde uiteindelijk tot een handjevol verbanningen. Volgens ’t Hart waren de bannelingen stuk voor stuk mensen zonder gezinnen. „Anders zou het de diaconie van de kerk te duur worden.” Het gros van de raddraaiers ontving uiteindelijk amnestie van stadhouder Willem V.

Hoe kritisch ’t Hart ook is over ’zijn’ dorpelingen, hij staat als het erop aankomt achter de oproerkraaiers. „De leden van de Staten-Generaal, die elke zondag braaf ter kerke gingen, wilden af van de lange erediensten, maar met de korte zingtrant ontnamen ze de kerkgangers de mogelijkheid om te improviseren. Je moet het niet-ritmische psalmzingen van toen vergelijken met de jazz van nu. Mensen mochten die lange noten zo mooi versieren als ze zelf wilden. De overheid ontnam hen dat genot. Schande!”

Deel dit artikel