Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

LUCEBERT, 'VAN DE ROERLOZE WOELGEEST'Een wrak in de wasbak van het heelal

Cultuur

T. VAN DEEL

Review

Lucebert, 'van de roerloze woelgeest', uitg. De Bezige Bij, 112 blz. (gebonden, met tekeningen) - f 49,50.

Sensationeel is deze produktiviteit zonder meer. Lucebert was in de jaren tachtig, na een tijdlang nog alleen maar geschilderd te hebben, wel weer met poezie gekomen, maar dat er zo snel na het ook al kloeke 'troost de hysterische robot' (1989) iets van deze omvang mogelijk was, zal niemand verwacht hebben. Het lijkt erop dat de spaarzaam en vaak alleen bij gelegenheid dichtende Lucebert zich weer helemaal heeft bekeerd tot de poezie.

Zijn werk is niet met dat van enige andere dichter te vergelijken. Wie een regel leest als de volgende, ik neem maar een willekeurige, 'een gevlerkte boeteling in een brandende lift', zal meteen aan Lucebert denken. Zijn woordkeus, zijn combinaties van woorden, zijn klankspelen en ritmische herhalingen in de zinsbouw, zijn moeilijk te evenaren, nog afgezien van zijn humor en ironie.

De woelgeest, van of over wie we in deze gedichten berichten krijgen, herinnert aan de oproerkraaier die Lucebert vroeger werd gevonden. Dat de woelgeest roerloos is, een tegenstrijdigheid dus, typeert de dichter die met zoveel graagte tegenstellingen gebruikt. Hij heeft zich, in een beroemd geworden uitspraak, al eens de vrijheid voorbehouden geen keuzes te maken: "ik streef niet naar syntheses, tegenstellingen blijven bij mij rustig aangesteld en terwijl ze elkaar weerstreven, pleeg ik geen verzet" .

Dat klinkt ruimhartig, vrolijk zelfs wel, alsof er met het bestaan van tegenstellingen - nu niet in de taal, maar in de werkelijkheid - geen pijnlijke ervaringen zijn gemoeid. Ik heb de indruk dat Lucebert in zijn nieuwe bundel de tegenstelling meer als een bittere stijlfiguur verwerkt, zoals in het algemeen de toon van deze gedichten weinig opwekkend is en de aandacht vooral uitgaat naar verval en dood. Het begint al meteen in het begin met het gedicht 'stand van zaken':

in het grote nest is er altijd wel geweld

god die als goed gold bladert

als een waanzinnige in zijn eigen boek

en telt en telt de verminkten

de oogst beschouwt men als verloren

alle perziken liggen gekwetst in het dorre gras

De wereld wordt voorgesteld als een aflopende zaak, de omgang van de mensen met elkaar heeft niets meer met liefde te maken, integendeel, 'kwaadwilligheid kijkt door alle kieren', 'de uitgestoken hand zal ons eerst bedriegen dan bedreigen'. Overal lijkt een 'tomeloze tiran' de touwtjes in handen te hebben:

er komt geen einde aan het leed

met elk nieuw gezicht vermenigvuldigen zich de noodkreten

nooit is iets zonder geweld en nergens is het stil

Als zo de stand van zaken is, hoeft niemand in het vervolg op een optimistische bundel te hopen. Wat de taal betreft blijkt overigens Luceberts vitalisme onverflauwd: het is alsof hij ons op een steeds vituozere manier een steeds grimmiger wereldbeeld wil aanpraten. Regels die zodra men ze leest voorgoed staan ingeschreven in de geest (zoals die over de uitgestoken hand, hierboven) zijn er te over. Ze vormen de kortste samenvatting van waar het hier om gaat. Zo worden mensen in een gedicht dat verwijst naar 'Cheops' van J.H.Leopold beschreven als 'vlezige sarcofagen door slopers getorst'. Dit is een even gecompliceerde als beeldende uitdrukking van de menselijke hoedanigheid, waarin verval en dood zijn inbegrepen.

Geregeld voert Lucebert 'slopers' op en ook ruines komen nogal eens voor. In het ogenschijnlijk montere gedicht 'het blijft feest' wordt het leven beschreven als een groot feest, waar we bij mogen zijn en waar we ook als we platzak en beschimmeld zijn, buigend en kussend aan deel nemen, intussen een kakkerlak uit ons glas vissend. Dat feest is een gruwel, maar er zit niets anders op en iedereen raakt 'in een razende roes met z'n allen in de hete zee / want het blijft een feestelijk onvergetelijk feest'. Ironie, dit; men zou de regel voorgelezen moeten horen door Lucebert, die een onvergelijkelijk vertolker is van zijn ironie.

Het gedicht eindigt heel anders, ontdaan van elke sier:

alleen in een verborgen donkere hoek

werk je aan het beteugelen van instorten

tevergeefs sleep je stenen tegels stutten aan

maar tussen al het bouwval blijf je de ruine

die je vreest en die je bij het feesten bleef

Lucebert moet natuurlijk ook gelezen worden om zijn taal. Hij gaat met de woorden om zoals hij ze ziet en hoort: 'klein crapuul zonder scrupules', 'preutse prutsers', 'geen jota noch toga' - dit zijn maar enkele van zijn honderden en honderden combinaties die een mens opgetogen kunnen maken. Hij keert graag iets in de woorden om, zoals in 'van het kosthuis geen kotshuis gemaakt', maar houdt ook van gekke opeenvolgingen zoals 'met voor elk mispunt pastei en voor elke bofkont een pispaal'. Een echo van zijn bekende regel dat de mens een broodkruimel is op de rok van het universum, klinkt door in de volgende uitspraak: dat de mens is 'een wrak in de wasbak van het heelal'.

Een gedicht dat direct aanspreekt en de kern van de bundel raakt, is 'schimmenspel'. Het begint met een verwijzing naar de roman van Theo Thijssen, waarin 'het taaie ongerief' de kleding in de jeugd betreft, en een aanhaling uit Marsmans gedicht 'De grijsaard en de jongeling':

nu begint dat andere taaie ongerief

dat van de ouderdom van ik had je zo lief

moeder wereld knekelhuis en zonder baten

blaat je alleen nog verminkte citaten

waarmee je de legende van jezelf kruidt en bederft

en het wordt later en later

en dan de conversatie zeg maar geklets

elke aanspraak valt als een pot erwten in je oor

in je wanhoop zet je daar dan een dikke deur voor

en achter grendels achter het al vagere gekeuvel

draag je hijgend zand aan voor een hoge heuvel

die je dan met wankele tred beklimt tot de top

daar aangekomen stijg je langzaam op

in mist en stilte verdwijnt je oude kop

In een ander gedicht wordt gezinspeeld op Boutens' 'Goede Dood, wiens zuiver pijpen, door 't verstilde leven boort':

zo zuiver als de fluiten nu fluiten

is er nog nooit voor je gefloten

dat komt doordat de dood dansante

ja bijna flanerend je souffleert

Toch moet nu niet de indruk ontstaan dat alles in de bundel in het teken van de dood staat. Titels als 'er blijft altijd wel iets plakken aan je hakken' of 'vanuit het mooie land waar het 'ja' nog klinkt' laten zien dat er ook andere geluiden zijn te horen. Idyllische zelfs. Gaat de wereld teloor, er is een wereld denkbaar of droombaar die wel mooi is, al kunnen gedichten die zo'n wereld uitbeelden nauwelijks zonder ironie gelezen worden.

Een goed voorbeeld van deze soort is 'landjuweel' (hier te begrijpen als: juweel van het land):

met een broodkorst als corsage gaat

de blijde zwerver door het wijde land

hij wuift naar de koeien in de weiden

naar het bloeiende koren hem terzijde

terwijl leeuweriken eten uit zijn hand

's avonds stralend staan de boerenmaagden

aan de dorpspomp en brengen hem hun groet

zij kussen zijn bezwete konen zelfs bedaagde

maagden vlijen warm hun harten aan zijn voet

omdat hun oude moeders zeggen dat dat moet

laat in het hooi prevelt de zwerver zijn gebeden

en leest wat lezenswaardigs in het oude boek

terwijl pooiers en hoeren strompelen door de steden

hun gore ratten rennen radeloos van hoek naar hoek

strekt hij zeer verzaligd zijn gelooide leden

Met 'van de roerloze woelgeest' laat Lucebert nog eens zien hoeveel kleurrijke pijlen hij op zijn boog heeft.

De bundel kan in een eerste reactie onmogelijk recht worden gedaan, maar dat is niet zo erg, want grote poezie als deze is, heeft de tijd aan zich en zal nog vaak genoeg aan lezing en beschouwing onderhevig zijn.

Het laatste gedicht erin eindigt, vast niet zonder reden, met een woord dat Lucebert intens liefheeft en waarvoor hij zijn dichterschap heeft ingezet.

Er wordt een wereld in voorgesteld die alles niet heeft wat onze wereld wel heeft. Erger is niet denkbaar:

zonder dageraad zonder lenteboden zonder liefde

zonder morgenrood zonder jaargetijden zonder taal

Deel dit artikel