Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Lévi Weemoedt en Özcan Akyol zijn beiden somber van aard en allergisch voor literaire pretenties

Cultuur

Sander Becker

Levi Weemoedt en Özcan Akyol. © Martijn Gijsbertsen
interview

Met een enorme bestseller was dichter Lévi Weemoedt (70) dit jaar opeens terug. Zijn dichtbundel ‘Pessimisme kun je leren!’ werd samengesteld door net zo’n succesauteur: Özcan Akyol (34). Al is de een twee keer zo oud als de ander, ze voelen zich verwant.

In het café van de Haagse boekhandel Paagman hapt dichter Lévi Weemoedt in een tosti met ­ketchup. Hij is nog beduusd van het succes van dichtbundel ‘Pes­simisme kun je leren!’. Het boekje vliegt de winkels uit. In een paar maanden zijn er zo’n 70.000 exemplaren verkocht. Met zijn zwartgallige versjes was Weemoedt ook populair in de jaren ­tachtig. Toen streed hij met collega-zwartkijker Hans Dorrestijn om de titel ‘droevigste dichter van Nederland’. Hij raakte daarna buiten beeld. Maar nu, op zijn zeventigste, is hij terug.

Lees verder na de advertentie

Met dank aan schrijver Özcan Akyol, die de gedichten voor de bundel selecteerde en inleidde. Akyol wilde de poëzie van zijn held Weemoedt een zetje geven en jong publiek aanboren. Dat is gelukt: 16- en 17-jarigen lopen er massaal mee weg. Je kunt de eenvou­dige, korte versjes beschouwen als ­instappoëzie, zegt Akyol. Wie weet durft het publiek daarna ook Bloem of Slauerhoff aan.

Ik zoek in de taal de meest adequate vertolking van wat ik om me heen zie

Lévi Weemoedt

Voorafgaand aan hun optreden in de boekhandel spreken de twee over hun verwantschap en hun succes. En over hun hardnekkige somberheid. Want hoe succesvol je ook bent, aan het eind gaapt toch het graf.

Is die titel ‘Pessimisme kun je leren!’ ironisch bedoeld, of zit er een kern van ­waarheid in?

Weemoedt: “De titel is ironisch bedoeld, maar niet uitsluitend, want ik ben een ontzettend serieuze man. Kijk, deze tijd heeft iets manisch-positiefs. Iedereen doet blij en vrolijk, maar het is vals ­geschetter. Ik merk dat de mensen daarachter een verlangen naar ernst hebben. 
Deze wereld kan wel wat somberheid ­gebruiken. Daarom dacht ik aan een workshop die zou eindigen met de kreet: ‘Wanhoop niet, dames en ­heren, pessimisme kun je leren’. ­Pessimisme is realisme. Het is bewezen dat pessimisten een reëler werkelijkheidsbeeld hebben dan optimisten. Als je het gejubel afleert, gaan inhoud en vorm weer een beetje rijmen.”

Worden jullie extra mistroostig nu de feestdagen naderen?

Weemoedt: “Absoluut. Ik associeer Kerst met mensen die in scheiding ­liggen, zoals ikzelf ooit. Ik heb er een ­gedichtje over, ‘Kerstkaart’:

Mijn vrouw heeft een ander
Zij wil uit elkaar
Dus: Prettige Pestdagen
& een Pleuris Nieuwjaar!

Ik heb er nog een. Deze heet ‘Advent’, want ik ben een man met een ­christe­lijke achtergrond:

Hoe dichter
bij de kerst
hoe kribbiger
zij werd

Akyol: “Ik vind de feestdagen ook ­vreselijk. Nu heb ik een gezin met twee kleine kinderen, maar daarvoor drogeerde ik mezelf op Oudejaarsavond ­altijd met slaappillen en whiskey omdat ik niet tegen die gemaakte gezelligheid kan. Mensen die elkaar ­normaal amper aankijken, beginnen ­elkaar opeens ­uitbundig te zoenen en een gelukkig nieuwjaar te wensen. Het is allemaal nep. Sinds tien jaar heb ik ­Nederlandse schoonfamilie. Sommigen hebben een tyfushekel aan elkaar maar zoeken ­elkaar wel op met Kerst. En dan nog gourmetten ook.”

Akyol vlucht de komende ­dagen naar het buitenland. Zijn begripvolle vriendin blijft hier met de familie. Bij Weemoedt ligt het anders. De 70-jarige heeft sinds twee jaar een nieuwe vriendin, mét een 14-jarig dochtertje. Hij heeft nu voor het eerst een gezinnetje om de feestdagen mee door te brengen. Eindelijk eens niet alleen. Hij is zelfs ­bereid te gaan gourmetten, maar ‘dat ­gebeurt toch niet’.

De schrijvers die ik bewonder, waren altijd de onaangepasten

Özcan Akyol

Het gezinsgeluk is uniek voor de dichter, wiens leven jarenlang overhoop lag nadat zijn vrouw in 2002 ­zelfmoord pleegde. Pas vanaf 2008 ­herstelde hij. Hij kon langzaamaan weer liefhebben, kreeg een vriendin en voelde de behoefte om zijn oude metier op te pakken. Hij ging weer voorlezen en publiceerde in 2014 de bundel ‘Met enige vertraging’, al kreeg die lang niet zoveel aandacht als de nieuwste.

Hoe verklaart u het succes van de ­huidige bundel?

Weemoedt: “In Nederland kun je niet zo’n groot succes hebben zonder ‘De Wereld Draait Door’, waar ik twee keer heb opgetreden. Ik heb ook veel te ­danken aan Akyol. En de derde factor ben ikzelf, althans volgens Akyol. Of de tijdgeest misschien? Laten we die vraag maar uitbesteden aan de Universiteit van Amsterdam.”

Waarom verdiende Weemoedts poëzie ­eigenlijk een zetje?

Akyol: “Ik was al fan van zijn werk sinds ik het bij de studie Nederlands leerde kennen. Wat mij raakte, was de welt­schmerz, de zucht naar drank en het non-conformisme. Het verbaasde me dat anderen het werk niet kenden. Veel mensen dachten zelfs dat Weemoedt dood was. Omdat hij in oktober zeventig werd, vroeg de uitgever of ik die bundel wilde samenstellen. In de ­zomer, in Griekenland, heb ik zeventig ­gedichten geselecteerd. Ik wilde laten zien dat poëzie leuk kan zijn. Zwart­galligheid en humor vormen een ­prachtige combinatie.”

Konden alle oude gedichten anno 2018 nog door de beugel?

Akyol: “Veel van Weemoedts werk uit de jaren zeventig en tachtig is tijdloos, maar er zaten ook heel wat gedichten tussen die in onze overgevoelige tijd niet meer kunnen. Zoals vrouwonvriendelijke versjes die naar #MeToo neigen. Die heb ik weggelaten, op één na, over een escort die meer zakenmannen heeft ‘ontvangen’ dan Congres­centrum Leeuwenhorst.
“Dat is misschien over het randje, maar zelf hou ik daar juist van. De schrijvers die ik bewonder, waren altijd de onaangepasten. Hun meningen konden net niet door de beugel, maar ze gaven het leven wel kleur. Je mag die mensen mafketels vinden, maar om nou, zoals bij Johan Derksen na zijn homo-uitspraken, adverteerders te gaan bellen om hem van tv te weren... Dat is vertrutting. Alsof iedereen tegenwoordig hetzelfde moet denken. Doodeng.”

Weemoedt: “Precies. Onbedoeld sluipt er intolerantie in. Mensen die grappen maken, worden steeds minder geaccepteerd. Ik denk dat er een generatie is aangetreden die in de watten is gelegd en is opgegroeid zonder tegenstand of andere meningen. De kinderbakfietsgeneratie. Die mensen vóelen alles, hun ratio speelt een ondergeschikte rol. Maar ik weiger me aan hun overgevoeligheid aan te passen. Als ik schrijf dat je in de natuurwinkel al snel naast een zure, meervoudig onverzadigde vrouw staat, ga ik voor sommigen te ver. Maar dat blijf ik doen. Daarom zal de verkoop van mijn boeken in de ­toekomst zeker dalen.”

Ik ben allergisch voor literaire pretenties, net als Weemoedt

Özcan Akyol

In het voorwoord van de bundel schrijft u, Akyol, dat Weemoedt u heeft bevrijd van de drang om hoogdravend te ­schrijven. Hoe zit dat?

Akyol: “Ik ben allergisch voor literaire pretenties, net als Weemoedt. Op de universiteit moest je middeleeuwse teksten analyseren en in elke roman drie lagen zoeken. Ik dacht: moet literatuur altijd op die manier? Moeten er per se verwijzingen naar de Griekse mytho­logie in? Ik schreef in het begin ook wollig, met metaforen waar je lang over moest nadenken. Dat werk is gelukkig nooit uitgegeven. Ik ben van dat ­hoogdravende afgestapt toen ik Weemoedt las. Daarom ben ik schatplichtig aan hem, net als aan Bukowski, Jan Cremer en Céline. Die paradijsvogels hebben mij laten zien dat het ook anders kan.”

Critici vonden de eenvoud en het ­anekdotische karakter van Weemoedts werk juist vaak een minpunt.

Weemoedt: “Inderdaad. Als je anek­dotisch schreef, zoals ik, dan noemden ­academici je dom. Dat vond ik kwetsend. Laat mij maar gewoon een goede verteller zijn. Veel meer wíl ik ook niet zijn.

“Ik zoek in de taal altijd naar de meest adequate vertolking van wat ik om me heen zie. Ik ben zelfs zo stom om te denken dat er maar één juiste zin voor iets bestaat. De jacht op die zin is wat me boeit en wat mijn leven zin geeft. Als ik die zin gevonden heb, ben ik zo blij als een hond met zeven staarten. Maar het is hard werken om de schijn te wekken dat-ie eenvoudig uit je pen is komen vloeien.”

Tijdens het gesprek blijkt dat de schrijver en de dichter meer met elkaar gemeen hebben dan ze dachten. Het zijn allebei outsiders, afkomstig uit een arbeidersmilieu. Hun vaders hadden losse handjes en spraken nooit waardering voor hen uit. Aan hun moeders hadden ze ook weinig.

“Er was altijd ­ruzie thuis”, licht ­Weemoedt toe. “Mijn moeder had een dwangneurose, ze ­stofzuigde 24 uur per dag. Op mijn ­zestiende was ze ineens vertrokken. Daarna heb ik haar twintig jaar niet ­gesproken.” Heel herkenbaar, zegt ­Akyol. “Ik praat al veertien jaar niet meer met mijn vader. Hij walgt van mijn succes. Hij is jaloers. Mijn ouders weten niet eens dat dit dichtbundeltje is verschenen. Ze hebben geen interesse in wat ik doe. Ze kunnen het boekje ook niet eens lezen, want ze zijn ­analfabeet.”

Ondanks alle mooie dingen heb ik een doods­ver­lan­gen, al sinds mijn kindertijd. Gelukkig is het zo weer over als ik drie glaasjes wijn drink

Lévi Weemoedt

Helpt het ­literaire succes misschien toch om je ­beter te voelen?

Akyol: “Ik ben niet de gelukkigste ­persoon op aarde. Dat heeft met mijn jeugd te maken, maar is ook genetisch bepaald. Aan mijn vaders kant hebben vijf ooms of neven zelfmoord gepleegd. Dan kun je een mooie vrouw hebben en twee schatjes van kinderen, toch vraag je je ’s avonds in bed weleens af: waar is het leven goed voor? ‘Waartoe is het eeuwig scheppen goed, als het schepsel weer in ’t niet verdwijnen moet?’, schreef Goethe.
“Dat gepeins gaat gewoon door nu ik succes heb. Of het nou allemaal kut of mooi is onderweg, de eindhalte blijft hetzelfde. Ik zou willen dat ik dat van me af kon werpen. ‘Alles wat die jongen aanraakt, verandert in goud’, hoor ik nu vaak. Maar ik ben ­totaal gegijzeld door de angst om alles weer kwijt te raken. Ik verlang terug naar de tijd dat ik maar twee euro op mijn rekening had en twee dagen moest teren op een halfje wit met een beetje kaas. Die tijd was zorgelozer dan wat ik nu meemaak.”

Weemoedt: “Bij mij is het net zo. Ondanks alle mooie dingen heb ik een doodsverlangen, al sinds mijn kindertijd. Het slaat ineens toe. Maar het is ­gelukkig ook zo weer over als ik drie glaasjes wijn drink.”

Hoe gaan jullie met die neerslachtige inborst om?

Akyol: “Keihard werken. Vijf columns per week, tv-optredens, lezingen, ­interviews, een nieuwe roman.”

Weemoedt: “Vroeger was ik ook zo: altijd werken. Met het ouder worden heb ik geleerd om rustiger aan te doen. Hopelijk lukt dat Akyol ook nog.”

En humor?

Akyol: “Humor is het beste overlevingsmiddel. Zonder humor ga ik dood. Ik heb ooit het boek ‘Ik lach om niet te huilen’ van Lex Kroon gelezen, uit 1984, mijn geboortejaar. Van hem heb ik geleerd hoe ironie je overeind kan houden. In de gedichten van Weemoedt zie je het ook. Ze zijn raak en kern­achtig. Daarom worden ze ook zo vaak getweet. Laatst zag ik deze weer voorbijkomen, en dat begrijp ik helemaal:

Op mijn uitvaart
O, de dragers, ze zullen
   Mijn moeheid voelen
Láátste rustplaats,
     zei u?
Eérste, zal je
     bedoelen!

Wie is wie?

Lévi Weemoedt (70), pseudoniem van Isaäck Jacobus van Wijk, was ooit leraar Nederlands, maar koos voor een loopbaan als ­schrijver en dichter van tragi­komische versjes. 

Özcan Akyol (34) is schrijver, columnist en programma­maker. Zijn romans ‘Eus’ en ‘Turis’, over zijn ­leven in een Turks migranten­­gezin, werden ­ongekende bestsellers.

Lees ook:

Schrijver Özcan Akyol: Ik vertel hoe het híer is

Özcan Akyol (Deventer, 1984) is schrijver en columnist. In zijn tweede boek ‘Turis’ krijgt de onderklasse in Nederland bij uitzondering een stem. ‘Nee, ik vind dat geen migrantenliteratuur.’

Deel dit artikel

Ik zoek in de taal de meest adequate vertolking van wat ik om me heen zie

Lévi Weemoedt

De schrijvers die ik bewonder, waren altijd de onaangepasten

Özcan Akyol

Ik ben allergisch voor literaire pretenties, net als Weemoedt

Özcan Akyol

Ondanks alle mooie dingen heb ik een doods­ver­lan­gen, al sinds mijn kindertijd. Gelukkig is het zo weer over als ik drie glaasjes wijn drink

Lévi Weemoedt