Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Kant veroorzaakte een revolutie in de wijsbegeerte

Cultuur

HANS DIJKHUIS

Review

In 1781 publiceerde Immanuel Kant 'Kritik der reinen Vernunft', het boek dat, zoals hij zelf voorzag, een copernicaanse omwenteling in de wijsbegeerte zou veroorzaken. Omdat hij begreep dat de 'Kritik' voor het gewone publiek niet alleen te lang maar ook in menig opzicht te duister was, besloot hij zijn bevindingen nogmaals beknopt en overzichtelijk op te schrijven. Dit nieuwe boek, 'Prolegomena' ('voorstudie'), verscheen twee jaar later en is, zeker gezien het moeilijke en abstracte onderwerp, inderdaad een toegankelijk werk geworden.

Er is zó vaak gezegd dat Kant slecht en moeizaam schrijft dat het onderhand een cliché is geworden. In de praktijk valt het wel mee. De onlangs verschenen vertaling van de Prolegomena is zo mogelijk nog beter leesbaar dan het origineel.

Wat was er dan zo revolutionair aan dit boek? Eeuwenlang hadden filosofen onbekommerd gespeculeerd over metafysische vraagstukken, zonder dat de mensheid daar volgens Kant ook maar iets wijzer van was geworden. Ten slotte was de metafysica in verval geraakt en dreigde zij zelfs te bezwijken aan haar eigen ongeloofwaardigheid, terwijl het vertrouwen in de natuurwetenschappen juist steeds groter werd. Kant vond het de hoogste tijd om de metafysica te redden van de ondergang, omdat hij begreep dat een totale overwinning van de natuurwetenschappen een grote verarming van het leven zou betekenen. De grote metafysische vragen zijn immers de vragen naar God, wilsvrijheid en de onsterfelijkheid van de ziel, en die problemen zijn veel belangrijker en verhevener dan alles waarmee het menselijk verstand zich bezighoudt wanneer het zich beperkt tot het domein van de alledaagse, zintuiglijke ervaring.

De traditionele metafysica had volgens Kant wel de juiste vragen gesteld, maar niet op de juiste manier naar de antwoorden gezocht.

De metafysica was altijd fictie: omdat haar uitspraken het domein van de zintuiglijke ervaring overstegen konden ze immers ook niet door die ervaring worden weerlegd en leken er aan haar geen grenzen te zijn gesteld, behalve dan het logische beginsel van de tegenspraak.

Kant wilde die grenzen eens en voor altijd vaststellen, bekeken vanuit de vraag of metafysica eigenlijk wel mogelijk was. Omdat metafysische kennis per definitie niet aan de zintuiglijke ervaring kan zijn ontleend moet zij ontspruiten aan de rede zelf. Hoe is die kennis uit de 'reine Vernunft', de zuivere rede, dan mogelijk?

Op zoek naar het antwoord verrichtte Kant een intellectuele prestatie die al meteen na publicatie een schok in de wijsbegeerte veroorzaakte. Hij maakte een fundamenteel onderscheid tussen de dingen zoals ze aan ons verschijnen en de dingen zoals ze op zichzelf zijn, de 'Dinge an sich'. De verschijningen zijn louter producten van onze eigen voorstelling. Hoe de dingen op zichzelf zijn kunnen we nooit te weten komen; onze kennis heeft uitsluitend betrekking op de verschijningen, dus op de waarneembare wereld.

Kant lijkt de metafysica dus eerder om zeep te helpen dan te redden. Maar de volledige titel - 'Prolegomena voor elke toekomstige metafysica' - maakt al duidelijk dat hij ook na zijn kritisch onderzoek nog wel degelijk mogelijkheden ziet voor een metafysica. Ik kan, schrijft Kant, de dingen niet kennen zoals ze op zichzelf zijn, maar wel zoals ze voor mij zijn, dus in hun relatie tot de wereld waarvan ik deel uitmaak. Anders gezegd: de metafysica kan zich weliswaar niet in het domein van de 'Dinge an sich' begeven, maar zij kan wel de grenzen onderzoeken tussen dit domein en het domein van de zintuiglijk waarneembare wereld. Want deze grens is niet louter iets negatiefs, maar juist iets positiefs, omdat zij zowel behoort tot wat erbinnen ligt als tot wat erbuiten ligt. Zo kunnen we door een verkenning van deze grens toch kennis van de wereld aan gene zijde verkrijgen, al is dit 'kennis naar analogie'.

Kant gaat er dus al van uit dat er iets is buiten de zintuiglijk waarneembare wereld waarmee wij in ons dagelijks bestaan te maken hebben. Hij beklemtoont zelfs dat de menselijke rede een natuurlijke aanleg heeft tot metafysica, die beantwoordt aan een even natuurlijke behoefte om de alledaagse leefwereld te ontstijgen. Die behoefte is eerder praktisch dan theoretisch van aard - het gaat om de al genoemde levensvragen. Onze handelingsvrijheid, het bestaan van God of van een onsterfelijke ziel zijn zaken die we strikt genomen niet kunnen bewijzen, maar die aan gene zijde van de grens zeer wel mogelijk zijn, en die in ons morele handelen zelfs onontbeerlijke uitgangspunten zijn.

Door de onbedwingbare behoefte verder te zoeken dan de ons bekende werkelijkheid worden we volgens Kant behoed voor de grote gevaren die ons wereld- en mensbeeld bedreigen: het fatalisme, het materialisme en het naturalisme. Als Kant schrijft dat de aanleg tot transcendente begrippen in onze rede op 'natuurlijke doelen' moet zijn gericht, 'omdat alles wat in de natuur ligt oorspronkelijk toch aan een nuttig doel moet beantwoorden', grijpt hij terug op Aristoteles' gedachte van een perfect georganiseerde wereld waarin alles een doel heeft en niets voor niets bestaat. Het bestaan van een voorzienige, planmatig te werk gaande Schepper lijkt daarbij al te zijn verondersteld. Maar ook op deze wijze kan het bestaan van God niet worden bewezen, hooguit waarschijnlijk geacht.

In 'Kritik der Urteilskraft' zal Kant duidelijk maken dat we in zulke gevallen redeneren naar analogie van onze eigen rede, die eveneens doelmatig te werk gaat als wij iets maken of in elkaar zetten. In Kants wijsbegeerte blijft toch altijd de in zijn ogen zo gevaarlijke mogelijkheid bestaan dat al onze metafysische gedachten niet meer zijn dan onze eigen hersenspinsels.

Deel dit artikel