Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Joshua Rozenman speelt even dat hij God is

Cultuur

MEREL LIGTELIJN

Review

AMSTERDAM - Morgen opent in het Stedelijk Museum in Amsterdam de expositie 'Zinnen-Beelden' van Joshua Rozenman (Israël, 1955). Op de begane grond staan veertien afgietsels in verschillende materialen van de halfnaakte kunstenaar, met daarbij teksten van veertien Nederlandse schrijvers. Dit mini-volkje, gemaakt van vergankelijke materialen als chocolade, rubber, deeg, zout, zand, zaagsel, mest en papier-maché, fungeert als metafoor voor het leven, voor de vergankelijkheid. De penetrante lucht van de reeds slinkende man van zeep is daarvan het geurende bewijs.

De afgietsels steken hun armen recht naar voren, vouwen de handen zorgvuldig over elkaar alsof ze iets kostbaars, teers verbergen. Iets wat misschien nooit wordt prijsgegeven. Het geheim van het leven? Van de kunstenaar? Of staat de geringe ruimte tussen de handen symbool voor de minieme tijdspanne waarin de mens door zelf te scheppen kortstondig de kans krijgt ware vrijheid te ervaren?

De installatie leent zich voor diverse interpretaties. Kunstcriticus Gary Schwartz schreef de inleiding bij het boek dat deel uitmaakt van 'Zinnen-Beelden': een lange, complexe filosofische exegese aan de hand van een reeks hoofdstukken Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium, Profeten, Evangeliën en de Apocalyps over Rozenmans onontkoombare keuze om voor het project louter automorfen, afgietsels van zijn eigen lichaam, te gebruiken. Kort gezegd komt Schwartz' verhandeling er op neer dat Rozenman met zijn scheppings- en vernietigingswerk even speelt dat hij God is.

Rozenman: “Ik was compleet gefascineerd. Schwartz, bezig met een bundel over vergankelijkheid in de kunst en de zin en onzin van restaureren van kunstwerken, zag veel meer dan ik had verwacht. Mij als kunstenaar vergelijken met Jezus en God en zo... ik weet het niet, toen ik het las voelde ik me alsof ik in analyse zat bij een psychiater. Nee, ik ga niet zeggen dat het allemaal niet klopt, want als kunstenaar ben je, gelukkig, vaak zo intuïtief en associatief bezig. Ik begon dit project, waarin ik niet meer ben dan een figurant, vier jaar geleden naar aanleiding van een in het Hebreeuws gesteld, spiraalvormig schema waarop begrippen in specifieke volgorde zijn gerangschikt: materiaal-materie, standbeeld, vorm, gietvorm, verhaal, geest, weer de gietvorm en materiaal, standbeeld, vorm, en weer verhaal. Door die spiraal kwam bij mij de mal in beeld, en een jaar daarna waren mijn eerste twee afgietsels van zaagsel en zout klaar. Twaalf volgden. Schwartz koppelt mijn keuze voor exact veertien 'beelden' aan de veertien statiën die Christus aandeed op de weg van Pilatus' huis naar Golgotha. Ik weet het niet, het kan. Het is een onbewuste keuze.

De Christusfiguur intrigeert me, zijn geest, zijn spiritualiteit die aanweziger is dan die van mijn buurman die nog met een lichaam rondloopt. Maar nee, voorzover ik weet zit er niets van het christendom in mijn project. Daar was ik niet mee bezig. Veertien had ook vijftien kunnen zijn. Er waren aanvankelijk ook vijftien beelden. Die van gips heb ik vernietigd. Waarom? Geen idee, instinctief hoorde die er niet bij.'

Volgens Rozenman zijn de afgietsels dood. De begeleidende teksten brengen ze tot leven. Net als de golem, de lemen kunstmens geboetseerd door de Maharal, rabbi Juda Low van Praag. Deze rabbi blies de golem leven in door op zijn lippen een kabbala te plakken. “In wezen deed ik hetzelfde. Ik gaf schrijvers en dichters, onder wie Stephan Sanders, Ethel Portnoy, C.O. Jellema, Rogi Wieg en Brigitte Raskin, die respectievelijk schreven over teer, zeep, houtskool, mest en purschuim, welbewust de macht met hun woorden - bijvoorbeeld - monsters te creëren van mijn afgietsels. Alle veertien heb ik ze geïnstrueerd a priori te reageren op het aan hun toebedichte of door hen verkozen materiaal. Verder liet ik ze alle vrijheid. Sommigen verwezen uiteindelijk wel direct of indirect naar de afgietsels. Marijke Höweler schreef een aangrijpende fabel over was en refereerde daarbij als enige van de veertien ook aan mij, naar de kunstenaar. Connie Palmens korte beschouwing over zaagsel had uiteindelijk slechts betrekking op haarzelf. Zo mooi! Feitelijk heb ik ze een spiegel voorgezet, via het materiaal kijken ze naar zichzelf.

Ik had die schrijvers nodig, als symbolisch teken van mijn eigen onmacht. Ik ben maar een beeldend kunstenaar. Over honderd jaar zijn alle vijf tot zes miljard mensen die nu op aarde zijn verdwenen. Machteloos zijn we. Die onmacht kunnen we slechts compenseren met schrijven. Het woord kan steeds weer worden gekopieerd. De verhalen, de mythes overleven, niet de schilderijen of afgietsels. Volgens Schwartz is er aan beeldende kunst sinds de Grieken vrijwel niets overgebleven, alles gaat kapot. Zo is dat nu eenmaal. Al die potjes en zo die dan wél zijn overgebleven, zijn waarschijnlijk de minst mooie, de Hema-achtige prullen. Deze eeuw kan je niet meer gaan denken aan restaureren van de hedendaagse kunst. Er wordt, vooral sinds de jaren vijftig, zoveel verschillend materiaal gebruikt. Rubber, synthetische spullen, polyester, noem maar op. Even een vernislaagje aanbrengen is er niet meer bij, het is veel complexer geworden. Dat moderne materiaal vergaat allemaal veel sneller dan die traditionele schilderijen of een bronzen beeld. Ook alles wat ik in dit project heb gebruikt is op een bepaalde manier vergankelijk. Epoxy verliest zijn doorzichtigheid. De Verkade-chocolade slaat wit uit. Het rubber gaat zweten, wordt groenig en verpulvert. De zeep verliest zijn kwaliteit, verschrompelt. In dertien maanden tijd is de zeepman tien kilo lichter geworden. Kannibaal eigen, zullen de bezoekers deze geur opnemen, consumeren. Hij ziet er wat ziekelijk, skeletachtig uit, ach, eigenlijk wordt hij steeds mooier. Ethel Portnoy completeerde zijn schoonheid, met haar tekst verleende zij hem eeuwigheidswaarde. De 'beelden' zelf echter zijn slechts illusies, schaduwen.” Illusies, schaduwen? Sommigen denken hier anders over. Zielen die de bijbel op hun hart dragen stellen dat Rozenman de schepping tart met de creatie van zijn eigen evenbeelden. En Karen Spaink schreef in haar begeleidende tekst over papier-maché dat de duivelskunstenaar zich kenmerkt doordat hij het vlees woord kan laten worden en een wereld van papier schept. Is ook Rozenman, al is ie maar een beeldend kunstenaar, een kunstenaar van dat slag? “Jezus, God, de duivel... ze komen wel erg vaak op de proppen voor iemand die zo ongelovig is als ik, maar, ja, ik denk wel dat ik in die zin een duivelskunstenaar ben. Maar feitelijk is wat ik heb gedaan even simpel als paradoxaal: ik betoog dat vergankelijkheid mooi is en 's levens deel, en verzeker mezelf tegelijk van de eeuwigheid.”

Deel dit artikel