Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Joost Prinsen: 'Mijn tranen zitten losser dan vroeger'

Cultuur

Noor Hellmann

Joost Prinsen: 'Je kunt beter een slechte acteur zijn in een goede groep dan omgekeerd.' © Merlijn Doomernik
Levenslessen

Voordragen kan acteur en presentator Joost Prinsen als geen ander - vroeger won hij elke declamatiewedstrijd - en hij kent hele passages Nescio uit zijn hoofd. In zijn nieuwe voorstelling 'Uurtje literatuurtje' vertelt Prinsen over zijn leven aan de hand van fragmenten uit de literatuur.

Les 1: Literatuur gaat over jezelf
"Als kind heb ik veel gevoetbald, maar ik heb ook altijd ontzettend graag gelezen. De ontdekking van literatuur begon voor mij op school, met 'Kees de jongen'. Ik was veertien en besefte voor het eerst dat literatuur - en kunst in het algemeen - niet gaat over iets buiten jou om, zoals in 'Arendsoog', maar iets is wat met jezelf te maken heeft.

'De uitvreter' van Nescio gaf me helemaal een ram op mijn kop. Dat vond ik zo fantastisch, als lezer kreeg ik het idee: daar hoor ik bij. Zielsverwantschap. Hele passages kende ik uit mijn hoofd en nog steeds kan ik ze zo voordragen. Ook Elsschot vind ik prachtig, maar Nescio is altijd mijn favoriete schrijver geweest. Van hem is de zin: 'Het leven heeft mij godzijdank bijna niets geleerd'. Daar zit veel in, vind ik.

In mijn nieuwe programma 'Uurtje Literatuurtje' reciteer ik 'Pleziertrein', uit Nescio's bundel 'Boven het dal': 'Donderdag 30 juli 1896. Kijkt u het maar na in een oue almanak en u zult zien dat 't klopt. Bestaan er nog almanakken? En winkels: tabak, snuif en sigaren?' Met die monoloog heb ik toelatingsexamen gedaan op de Toneelschool in Amsterdam. Ook mijn eindexamenmonoloog, over de wagenrennen in Sofokles' tragedie 'Elektra', draag ik voor in het programma. Ik vertel daarin over mijn leven aan het toneel, aan de hand van fragmenten uit de literatuur - van 'Max Havelaar' tot 'Oude meesters', een stuk van Ger Thijs dat Bram van der Vlugt en ik twee jaar geleden speelden.

Het idee om er mooie Nederlandse gedichten tussendoor te strooien kreeg ik door 'Poems that make grown men cry', een bundel waarvoor honderd mannen hun favoriete gedicht hebben gekozen. Ik besloot voor mijn programma een aantal van mijn favoriete gedichten te kiezen maar daarbij gold wel: ze moeten geschikt zijn om voor te dragen. Een gedicht als 'Men moet' van Kouwenaar - een van de mooiste gedichten die ik ken - viel bijvoorbeeld af omdat het zich niet makkelijk laat doorgronden als je het voor het eerst hoort. Meer vers-achtige poëzie als van Willem Wilmink, Jan van Nijlen en Adriaan Jaeggi leent zich beter om voor te dragen."

Les 2: Weerstand neemt af met de jaren
"Een goede maatstaf om gedichten te beoordelen is de uitspraak van K. Schippers: poëzie is het gewone bijzonder maken en het bijzondere gewoon.

Neem 'De moerbeitoppen ruischten' van Beets: 'God ging voorbij;/Neen, niet voorbij, hij toefde;/Hij wist wat ik behoefde/En sprak tot mij;'. God is als een vriend die even naast hem zit, als hij kort in slaap valt en weer wakker wordt is God er nog. Heel ontroerend. Ik vind het een geweldige prestatie hoe Beets, heel anders dan de meeste negentiende-eeuwse dominee-dichters, het bijzondere gewoon maakt, zo direct en simpel.

Lees verder na de advertentie
'De uitvreter' van Nescio gaf me helemaal een ram op mijn kop. Dat vond ik zo fantastisch, als lezer kreeg ik het idee: daar hoor ik bij

Ook Eddy van Vliet kon dat, in 'Dood' nodigt hij de dood als een buurman binnen: 'Dood. Heb geen angst. Talm niet voor mijn deur. Kom binnen. Lees mijn boeken. (...) Veeg je voeten en wees welkom.'

Mijn tranen zitten altijd nogal los, maar nu nog meer dan vroeger. Dat komt misschien door de ouderdom, je weerstand vermindert. Waarschijnlijk had ik als jongen ook niet zoveel tijd om ontroerd te raken: ik was meer geobsedeerd door de meisjes. Toch las ik wel gedichten. Ik reciteerde poëzie op declamatiewedstrijden die je in de jaren vijftig veel had. Ik liep ze af om geld te verdienen - m'n hele leven ben ik een beetje een scharrelaar geweest - en ik won ze altijd. Slauerhoff was de eerste dichter die ik leerde kennen, daartoe op het spoor gezet door leraren."

Les 3: Door te vertalen leer je je eigen taal kennen
"Ik deed gymnasium alfa, onderwijs dat volledig gericht was op literatuur, taal en geschiedenis. De school waar ik eindexamen deed, het Stedelijk Gymnasium 's-Hertogenbosch, stelde er een eer in dat je uiteindelijk in het Grieks Homerus kon lezen als de krant. Elke maand vertaalden we een boek van hem in onze vrije tijd en in de les nog een boek.

Omdat ik in de vijfde bleef zitten heb ik drie jaar Homerus gehad en toen ik van school ging kon ik hem inderdaad lezen als de krant. Dat lukt me nu niet meer, maar het intensief bezig zijn met een vertaling heeft wel de kennis van mijn eigen taal verdiept. Als we bijvoorbeeld Tacitus vertaalden - iemand die heel compact in één zin drie schoppen kon uitdelen, wat Nescio en Elsschot ook konden - besteedden we een heel lesuur aan één regel die uit acht woorden bestond. Ik vond dat geweldig, je leert daardoor je eigen taal heel goed kennen. Voor mijn eigen plezier vertaal ik soms nog, gedichten of bijvoorbeeld liedjes van Aznavour."

Les 4: Poch niet zolang je nog niets hebt gepresteerd
"Voor 'Uurtje Literatuurtje' had ik aanvankelijk Slauerhoffs 'In memoriam mijzelf' gekozen als openingsgedicht, maar ik was er eigenlijk niet tevreden mee: als je met zo'n tamelijk zwaar begin de toon zet denkt het publiek: hoge kunst. Ik wilde een ontspannen voorstelling en ben gaan zoeken naar iets luchtigers.

Van een Engelse televisieregisseur leerde ik: when you go for comedy, show that you go for comedy. Maak de mensen in de eerste minuut van de voorstelling duidelijk: er kan gelachen worden dames en heren! Anders sta je maar te zwoegen en neem je ze niet zo makkelijk in de hand. Ik heb daarom de volgorde omgegooid en bedenk nu iedere keer een openingsverhaaltje dat toepasselijk is voor de plek waar ik die avond sta.

Elke maand vertaalden we een boek van Homerus in onze vrije tijd en in de les nog een boek

Joost Prinsen. © Merlijn Doomernik

Zo begon ik laatst in Roosendaal over mijn vader die daar tien jaar burgemeester is geweest. Lopend naar het theater over de Burgemeester Prinsensingel, herinnerde ik mij hoe ik eens had opgeschept dat mijn vader burgemeester was. Hij had dat vernomen en zei: tegen de tijd dat je zelf iets gepresteerd hebt in je leven mag je zeggen: mijn vader is burgemeester, maar eerder heb jij dat niet te doen jongen. Ik vertelde het publiek dat ik die avond, op de naar hem vernoemde singel, dacht: ik heb inmiddels wel iets gepresteerd in mijn leven, nu mag ik eindelijk pochen: ik ben de zoon van een burgemeester.

Overigens is het een van de slechts twaalf of dertien herinneringen die ik aan hem heb. Ik heb mijn vader niet erg goed gekend. Toen hij na de oorlog benoemd was tot burgemeester van Breda was hij nauwelijks thuis. Hij had altijd vergaderingen. Ik dacht: als ik later eens naar een vergadering mag dan ben ik geslaagd in het leven. Hij heeft zich min of meer doodgewerkt, toen hij op 56-jarige leeftijd stierf was ik negen. Zijn dood was een klap, toch heb ik een heel gelukkige jeugd gehad, maar voor mijn moeder zal het zwaar geweest zijn: zij bleef achter met zes kinderen van wie de oudste negentien was en de jongste vijf."

Les 5: Wees een grote jongen
"Ik heb altijd veel vrouwen om me heen gehad: ik groeide op met vier zusters en één broer, mijn vrouw Emma en ik hebben twee dochters. Toen onze dochters nog thuis woonden werd de drukte en het gekrakeel me soms te veel en dan ging ik naar mijn broer in Brabant. Hij was acht jaar ouder en stelde zich altijd een beetje op als mijn vader, totdat het verschil in leeftijd niet zo'n rol meer speelde en we hecht bevriend raakten. Een keer of vier per jaar gingen we samen toeren: we maakten sentimental journeys naar plekken uit onze jeugd en ritjes naar België. Na een paar dagen keerde ik dan weer geheel opgefrist terug naar thuis.

Hij is inmiddels ruim tien jaar dood maar er gaan weinig dagen voorbij dat ik niet aan hem denk. De dood van mijn vrienden Willem Wilmink en Harry Bannink greep mij aan, maar niemand mis ik zo erg als mijn broer. We kenden elkaar zo goed. De vriendschap met Willem Wilmink was ingewikkelder. Hij nam vaak de telefoon niet op, als je hem wilde zien moest je naar hem toe want op een gegeven moment wilde hij niet meer weg uit Enschede, daardoor raak je een beetje uit elkaar.

Harry Bannink was makkelijker in de omgang. Een ontzettend lieve man. Wanneer je vals zong had hij wel tien eufemismen om dat in te kleden. Bijvoorbeeld: dat is een mooie noot, ik heb hem niet zelf gecomponeerd, maar misschien is mijn noot beter. Hij zei het nooit direct maar je zag wel aan hem als je het niet goed deed en beter kon stoppen. Dat ontmoedigde niet, het spoorde juist aan om kritisch te blijven. Je begint gewoon opnieuw, grote jongen zijn. Als je genoegen neemt met tachtig procent kom je gauw op een glijdende schaal, dat is heel gevaarlijk."

Als je genoegen neemt met tachtig procent kom je gauw op een glijdende schaal, dat is heel gevaarlijk

Les 6: Verering werkt verlammend
"Ik was er altijd handig in me aan te sluiten bij goede acteurs. Na de toneelopleiding kon ik beginnen in een musical van Wim Sonneveld, dat zag ik als een mooie kans want ik wilde de cabareteske kant op. Maar dat contract - vierhonderd voorstellingen in zestien maanden - had ik beter niet kunnen tekenen: ik was toen absoluut niet goed genoeg voor musical, ik heb er nog lang nachtmerries van gehad.

Toch kun je beter een slechte acteur zijn in een goede groep dan omgekeerd. Goede acteurs tillen je op, alleen door Guus Hermus raakte ik geïntimideerd. Mijn verering voor hem was immens, ik heb hem altijd met u aangesproken. Als hij op dreef was liet hij iedereen achter zich. Op een avond tijdens een voorstelling van 'King Lear' speelde hij zo bevlogen dat de hele hofhouding om hem heen vergat tegentekst te geven, we keken naar hem alsof we in de zaal zaten. Zoiets heb ik nooit meer meegemaakt.

Als jonge acteur kon je niets van hem leren, de afstand was te groot. Later, toen ik lesgaf aan de Kleinkunstacademie, beval ik mijn leerlingen de Engelse televisiequiz 'The Two Ronnies' aan, het was leerzaam om te zien hoe het komische duo een sketch speelde: bloedserieus en heel precies, dat was echt meesterlijk."

Les 7: Je speelt in je leven hooguit twee echt goede rollen
"Ik heb inmiddels tachtig toneelrollen gespeeld en honderden voor televisie. Er is nog altijd genoeg aanbod als je 73 bent, maar er zijn weinig rollen die je slechts een korte periode hoeft te spelen. Lange tournees en vijf keer in de week optreden is me tegenwoordig te vermoeiend. De concentratie kost veel energie. Zo viel het me ook steeds zwaarder om 'Met het mes op tafel' ontspannen te presenteren: het vergt veel voorbereiding om de kandidaten leuke vragen te stellen. Ik heb me teruggetrokken en vind Herman van der Zandt een uitstekende opvolger.

Als ik mezelf soms terugzie in oude opnames van bijvoorbeeld 'Het Klokhuis' en vergeten ben wat beter had gekund, denk ik: wat een aardige acteur, die kan het wel. Maar de gedachte dat je eigenlijk niet genoeg talent hebt draag je toch als een soort geheim met je mee. Bijna iedere acteur heeft dat. Aan ervaring heb je weinig. Over twee rollen ben ik echt tevreden: de televisiemonoloog 'Veel volk, weinig mensen' van Maria Goos en mijn rol als baron de Charlus in 'À la recherche du temps perdu' bij Globe. Een oudere acteur zei eens tegen mij: als je in je leven twee rollen speelt die vriend en vijand prachtig vinden dan heb je een mooie carrière gehad. Ik geloofde hem niet, maar ik weet nu dat hij gelijk had."

De gedachte dat je eigenlijk niet genoeg talent hebt draag je toch als een soort geheim met je mee

Deel dit artikel

'De uitvreter' van Nescio gaf me helemaal een ram op mijn kop. Dat vond ik zo fantastisch, als lezer kreeg ik het idee: daar hoor ik bij

Elke maand vertaalden we een boek van Homerus in onze vrije tijd en in de les nog een boek

Als je genoegen neemt met tachtig procent kom je gauw op een glijdende schaal, dat is heel gevaarlijk

De gedachte dat je eigenlijk niet genoeg talent hebt draag je toch als een soort geheim met je mee