Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Joop van den Berg herleest 'Orpheus in de dessa'

Cultuur

Review

Welke klassiekers verdienen het herlezen te worden? Deze maand test 'Het kanon' vier boeken uit de Nederlands-Indische letterkunde.

Men kan zich afvragen of het boekje 'Orpheus in de dessa' van Augusta de Wit (1900), naar zuiver literaire maatstaven gemeten, wel tot de klassiekers van de koloniale letterkunde mag worden gerekend.

Wat zou ervóór pleiten het die plaats te gunnen? Het boekje is dertig keer herdrukt. Vele tienduizenden middelbare scholieren hebben 'Orpheus' voor hun lijst Nederlands gelezen (het was lekker dun en had een duidelijke verhaallijn).

Maar de grootste verdienste was – denk ik – een andere. Als een boek voor het predikaat 'klassieker' het wereldbeeld van de lezer moet doen kantelen, dan was het hier het geval: de vanzelfsprekende aanwezigheid van de Nederlanders in Indië werd in dit kleine boekje onderuit gehaald. Het grote conflict tussen de op winst en welvaart gerichte Hollander en de op geestelijk leven ingestelde Javaan wordt in dit verhaal overtuigend gestalte gegeven.

Hoofdfiguur is de Hollandse ingenieur Bake, werkzaam bij een suikerfabriek, die 's avonds na een dag keihard werken kennismaakt met een kreupel Javaans fluitspelertje, dat wondermooie melodieën speelt die de nuchtere Hollander toch een soort diepe gemoedsrust schenken. Bake verdiept zich in het leven van het mismaakte jongetje, geeft hem wat geld voor het fluitspel, en vraagt hem iedere avond terug te komen. Maar door de drukke oogsttijd vergeet hij zijn belofte, en ziet hij de fluitspeler dagen niet.

Dan worden in het naburige dorp regelmatig buffels van de bevolking gestolen en bij een klopjacht op de daders schiet Bake in het donker op een van de dieven, die boven op een karbouw zit. Het blijkt Si Bengkok, het fluitspelertje, te zijn, die stervend in Bake's armen antwoordt op de vraag, waarom heb je het gedaan?: ,,Ik ben een al te arm mens, Heer.”

Het kolonialisme in een notendop, geschreven in een barokke wollige taal van de Tachtigers: Veel 'wit-beglansde wimpelbladeren' en 'bloesempluimsel', maar ook de verbijsterende conclusie van de ingenieur: ,,En nu heb ik hem doodgemaakt, omdat hij mondjesmaat afknabbelde van wat ik te veel heb.”

Je kunt stellen dat het conflict tussen het materiële (Bake) en het ideële (Si Bengkok) wel heel erg zwart-wit is weergegeven. Maar je moet constateren bij herlezing in 2004: er moet meer geweest zijn, anders haal je geen dertig drukken. Was de bestaande koloniale toestand niet letterlijk en figuurlijk een zwart-witsituatie?

Bij het zoeken naar een antwoord bevinden we ons in de gelukkige omstandigheid dat tien jaar geleden de studie 'De laatste eeuw Indië – Ontwikkeling en ondergang van een koloniaal project' van J. A. A. van Doorn uitkwam, die inging op de vraag: 'hoe goed of hoe fout was ons koloniale beleid?' Noch goed, noch fout, zegt Van Doorn, maar kortzichtig, star en arrogant. Alles wat wij in Indië opbouwden, was voor ons een soort project dat vooral technisch-organisatorisch in optima forma diende te slagen. Een kwestie van management.

De rol van de ingenieur was dan ook groot, betoogt de socioloog, en in zijn 'proeftuin' ging zelden iets mis. Op technisch gebied dan, want op het menselijke vlak faalde hij voortdurend. Wie er in zijn proeftuin werkte, interesseerde hem nauwelijks, als 'het gewas' er maar mooi bij stond! Wij spraken destijds voortdurend óver Indonesiërs, maar zelden mét hen. Waarom zouden we ook. De Nederlandse manager – of dat nu een bestuursambtenaar, onderwijzer, priester of dominee was – wist immers bij voorbaat wat het beste voor hen was. En die managers waren meestal nog te goeder trouw ook, dus niet goed of fout! Daarom wisten wij in 1945 niet wie de echte leiders waren van de Indonesiërs, die met ons moesten onderhandelen. Wij kenden hen domweg niet.

Destijds heb ik mij nogal enthousiast over het boek van Van Doorn uitgelaten (Trouw 21-4-1994) omdat ik zijn conclusies baanbrekend vond. 'Orpheus in de dessa' herlezend begreep ik plotseling dat het boekje een kunstzinnige projectie was van de latere stellingen van de socioloog. Bij Augusta de Wit is de hoofdfiguur – een ingenieur! – ook best te goeder trouw, hij is zelfs bijzonder gesteld op het mismaakte fluitspelertje. Maar het Project, de suikerfabriek, krijgt toch de overhand. Wat een eeuw later, na veel wetenschappelijk bronnenonderzoek kon worden 'bewezen', was voor Augusta de Wit rond 1900 al intuitief de kern van ons falen bij de kolonisatie van Nederlands-Indië.

Het zou de reden kunnen zijn voor de dertig herdrukken.

Deel dit artikel