Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Jeroen Bosch wordt volksheld

Cultuur

Cees Straus

Bijna 35 jaar geleden zag Den Bosch een roemrucht overzicht van Jeroen Bosch. Sindsdien is er veel onderzoek naar zijn werk gepleegd. Zoveel dat er een nieuw overzicht moest komen. In Rotterdam.

Is het toeval dat de grote Jeroen Bosch-expositie die vanaf vandaag in Museum Boijmans Van Beuningen is te zien, zijn deuren op 11 november sluit? De 11de van de 11de maand staat immers bekend als 'gekkendag', de eerste dag waarop de voorbereidingen van het Carnavalsfeest beginnen dat pas in februari van het volgende jaar zal plaatshebben. Bij Jeroen Bosch weet je het maar nooit: zijn werk wordt bevolkt met zulke raadselachtige figuurtjes die in de ogen van de beschouwer gemakkelijk tot kleurrijke gekken uitgroeien.

Als het maar 'volksgekken' zijn, zo moeten de drie samenstellers van de expositie gedacht hebben, want daar lag hun vertrekpunt voor de opzet van de aan de bekendste laat-middeleeuwse schilder van de Zuidelijke Nederlanden gewijde expositie. Je kunt, zo vonden ze alledrie, te weten Jos Koldeweij (Katholieke Universiteit Nijmegen), Paul Vandenbroeck (Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen) en Bernard Vermet (Den Bosch), zo'n beroemde schilder niet alleen met een monografische show afdoen. Tenslotte is een overzicht van Bosch zoiets als een witte raaf in museumland. Daar waren ze zeker van na de laatste presentatie. Die dateert van 1967 toen Bosch in het Noordbrabants Museum in Den Bosch (destijds nog gevestigd in een wrakke kerk in de Bethaniënstraat) werd getoond. Ze grepen dan ook alle middelen aan om er een opmerkelijke productie van te maken. Deze tentoonstelling moest niet alleen recht doen aan hun eigen opvattingen, ook de vele recente resultaten van het onderzoek naar de authenticiteit van het werk waren het waard om voor een breed publiek te worden geëtaleerd.

De Bosch-expositie is nu zo omvangrijk geworden dat het eigenlijke werk van Bosch -nog geen twintig authentieke werken- ondergesneeuwd is geraakt. De panelen staan opgesteld in een ruimte in de vorm van een slakkenhuis. Daaromheen worden in een reeks van straalkapellen subthema's getoond. Alles bij elkaar gaat het om honderden objecten, die stuk voor stuk van belang zijn te worden bekeken.

De omvang van de tentoonstelling ten spijt, wordt daarmee nog niet het raadsel 'Bosch' opgelost. We weten nu wel dat Jeroen Bosch (die omstreeks 1450 werd geboren en met zekerheid in 1516 stierf) aanvankelijk Jheronimus van Aken heette. Op een altaarvleugel met een voorstelling van Johannes van Patmos uit 1490, signeerde hij met de naam Jheronimus Bosch, wat betekent dat hij ver buiten zijn geboortestad als schilder uit 'Den Bosch' werd erkend. We weten welke schilderijen wél en welke niet door Bosch zelf zijn gemaakt, maar over de beweegredenen waarom hij bijvoorbeeld zoveel gekke mensjes maakte, is nog altijd weinig bekend.

In Boijmans wordt dat raadsel zonder veel plichtplegingen intact gelaten. Koldeweij en consorten maken een omtrekkende beweging. Ze plaatsen Bosch niet in een ontwikkeling, al vinden ze alledrie dat hij een grote figuur is op het breukvlak van gotiek en renaissance. Dat blijkt ook uit de werken van tijdgenoten, waar schitterende verrassingen bij zitten, zoals 'De Meester van de Johannisaltaren' en 'De Meester van het geborduurde lover', noodnamen voor schilders die anders anoniem zouden blijven.

Koldeweij laat Bosch daarentegen wortelen in de tijd waarin hij leefde. Bosch is geen intellectueel die zich boven het gewone volk verheven voelde, zoals Rubens die zich liever met vorsten omgaf dan met het gepeupel achter het Antwerpse Steen.

Met zoveel bewijslast als in Rotterdam wordt getoond, is het opmerkelijk om te zien dat Bosch het Brabantse volk zonder voorbehoud in zijn hart gesloten had. In elk schilderij verwijst hij naar geschiedenissen, verhalen, voorvallen die de gewone man beleefde, ervoer of op zijn minst moet hebben gekend. Drie groepen objecten worden in dit verband getoond: huisraad, insignes en misericordes. De laatste groep voorwerpen (misericordes zijn de versieringen die zich onder de koorbankzitting bevinden en die in de Middeleeuwen vaak profane, soms zelfs half obscene voorstellingen bevatten) is jammer genoeg heel klein. Daarnaast worden verluchte manuscripten (uit het klooster van Coudewater), tapijten en veel schilderijen en tekeningen van tijdgenoten aangehaald om de bewijslast te verstevigen.

Het zijn vooral de insignes, die bij recente opgravingen in de Bossche binnenstad aan het daglicht kwamen, die het 'volkse' karakter van het werk van Bosch onderstrepen. Deze speldjes, die in de tijd van de schilder aan pelgrims werden gegeven, of als aandenken aan bepaalde gebeurtenissen dienden, bevatten al die motieven die Bosch voor zijn geschilderde visioenen aanhaalde. Zo genereert deze expositie niet alleen een inzicht in het werk van de betrokken kunstenaar, ze geeft ook een spannend beeld van een tijd die vandaag de dag een toenemende belangstelling ondervindt.

Het is de enorme omvang van de expositie -in een aparte afdeling wordt aan de hand van een aardige verzameling moderne kunst ook Bosch' uitstraling tot aan de kunst van heden aangetoond- die ervoor zorgt dat het eigenlijk niet opvalt dat de oeuvre-presentatie allesbehalve compleet is. Boijmans toont circa twee derde van het oeuvre. Dat zijn zijn 18 schilderijen die met zekerheid aan de Bossche schilder zijn toe te schrijven en één enkel paneel met een vraagteken. Drie andere werken zijn door hem en/of in zijn atelier gemaakt, waar nog eens zeven authentieke tekeningen en even zovele toeschrijvingen aan zijn toegevoegd. Wie ook maar een beetje thuis is in het oeuvre ziet vrijwel elk geliefd schilderij nu 'in levende lijve': van de 'Ecce Homo' uit Frankfurt, 'Het narrenschip' uit het Louvre en 'De Marskramer' (nu voor het eerst in zijn volledige context) uit Rotterdam. Maar dit overzicht kan niet verhelen dat bijvoorbeeld het topstuk 'De tuin der lusten' in het Prado in Madrid is achtergebleven, dat ook de ontroerend mooie 'Kruisdraging' niet uit Gent is gekomen, dat de verschillende versies van 'Het laatste oordeel' niet zijn te zien. Dat is jammer voor wie niet direct de middelen heeft om deze schilderijen ter plekke op te zoeken en lastig bij een finale beoordeling van het oeuvre. In de opzet van de expositie maakt het echter weinig uit: Bosch blijft ook met het beperkte aantal eigenhandige schilderijen een schilder die diep wortelt in de Brabantse volkscultuur en daarmee ook een volksheld wordt. Handige jongens, die drie samenstellers.


Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden

Deel dit artikel