Jan Wit, de blinde dichter van het licht

cultuur

Pieter van der Ven

Review

Dominee-dichter, priester-dichter - vaak heeft één persoon beide heilige ambten beoefend, terwijl God hem er maar voor eentje had geknipt. Dat ging waarschijnlijk ook op voor ds. Jan Wit (1914-1980), maar dan in die zin dat de poëet de pastor in de weg zat. Jan Wit zag dat in en werd voortijdig emeritus. Hij wordt meer herinnerd als dichter, om zijn bijdragen aan de psalmberijming en zijn liederen in het Liedboek voor de Kerken van 1973.

Op een zweem van herinnering aan licht na is Jan Wit een blindgeborene. In de kerkgezangen van zijn hand wemelt het van woorden van licht en zien; de ritmes van zijn teksten vergen beweeglijkere en frivolere melodieën dan de protestantse liturgische traditie hun geven wil.

Hij heeft in den beginne het licht doen overwinnen. (Gez. 1)

Het woord dat u ten leven riep ... is een teken in uw hand, een licht dat in uw ogen brandt. (Gez. 6)

Mijn hart is in de donkerheid een wachter die het licht verbeidt...(Gez. 19)

Wat God doet, dat is welgedaan, daar laat ik het bij blijven (...) als God mij leidt kan ik de tijd van duisternis verdragen: ik zal zijn licht zien dagen.

Liedjes voor in de kerk, bewerkingen soms van weer eeuwen oudere andere liedjes. Jan Wit, blinde dichter van het licht. Hij behoorde tot het exquise dichtgenootschap het landvolk dat zich op de verheven hoogte van de Pietersberg in Oosterbeek door de Geest de Hollandse psalmberijming liet influisteren en de versjes voor het Liedboek.

Van dat kernvijftal leven alleen Willem Barnard (77) en Ad den Besten (76) nog. Jan Wit had er met zijn taalvondsten en -vaardigheid een eigen plek.

Wie kent hem nog? Toch was er een periode dat Jan Wit net als de blinde minstreel Jules de Korte in het land optrad voor - zij het andere - welgevulde zalen. Zijn handen tastten de braillevellen af en hij droeg de verzen voor, terwijl de toehoorders doodstil luisterden en geboeid toekeken hoe zijn ogen als het ware van de lege kassen naar de vingertoppen waren verhuisd en met even groot gemak dáár hun werk deden.

In het nog strak verzuilde Nederland was Jan Wit voor menig priester-student de eerste dominee naar wie zij zomaar konden en mochten luisteren - de eerste voor wie als gastspreker kloosterpoorten openzwaaiden.

Aan deze Jan Wit heeft het christelijk literair tijdschrift Liter zojuist een met veel foto's verlucht themanummer gewijd. En aan het drukwerk (met gedichten, herinneringen, een uitgebreide levenbeschrijving) is ook nog een cd toegevoegd: het 'landvolk' in gesprek met elkaar over zijn hooggestemde idealen van het 'evangelie der poësie', met liederen, voorgelezen en gezongen, maar ook wat voorbeelden van Wits wat houterig aandoende composities.

Op de cd en in het blad komt hij ook naar voren als cabaretier, of in elk geval als dichter van het cabareteske en gewijde lied. Neem zijn versje over de 'farizeeër en de tollenaar' - een fragment:

Die Jansen van de overkant heeft al z'n geld verdaan een deel met wijn en vrouwen, de rest verspeculeerd, zijn dochter is, naar hij beweert, aan het 'toneel' gegaan.

En in de oorlog waren ze natuurlijk ook verkeerd!

Gelukkig ben ik anders, ik zoek het al den dag bij goede vaderlanders en zedelijk gedrag.

Ik werk graag, ik kerk graag, ik bid graag, ik vit graag op wereldse vermaken, omdat zij mij niet smaken.

Zo'n Jansen gaat te gronde. Hij krijgt zijn verdiende straf.

Daar is de kous mee af. Er moet koren zijn en kaf.

Goddank, ik ben een christen.

Jan Wit in 1956, gedateerd, niet voor de kerkdienst, maar een welgemeende, warme manier om mensen die buiten waren geraakt weer terug naar kerk en woord te wenken.

Maar o wee als de dominee verdween achter de frivole chansonnier, zoals in zijn gedicht over de blinde, door hemzelf voorgedragen voor de televisie in 1960, nota bene bij de interkerkelijke Ikor.

Wanneer ik zien kon nu, zou ik van alle meisjes weten (...) hoe de wind met hun rokken speelt (...) inzicht en uitzicht op benen en borsten. Ik keek ze de kleren van het lijf. (...) Dan werd mijn pik pas stijf.

Nog steeds verdient de woordkeus in dit gedicht Troostcantate geen prijs voor subtiliteit, maar de fatsoenminnende, protestantse kerkelijke pers wond zich hevig op over zulke 'schaamteloosheden' van de dominee. Maar bij deze verheven dichter van het duistere licht van Gods geheimenissen stroomde de poëtische ader graag wel eens dwars - zoals ook in deze scabreuze limerick over Abrahams geboorteplaats:

Een bouwheer uit Ur der Chaldeeën die bouwde een huis zonder pleeën.

Dat lijkt nu wel raar

Maar 't was daar geen bezwaar

Omdat ze 't er buitenshuis dejen.

Auteurs en samenstellers van Liters special over Jan Wit bieden een royaal beeld van de man en zijn werk, met veel sympathie en bewondering - zonder veel vermoeden dat Wits wereld, zijn liederen en schone vaarzen ook wel erg voorbij zijn. Of toch niet? De volgende regels zijn voor deze dagen ter overweging niet ongepast:

Dit is de tijd. God zelf staat zonder / zich te verroeren andersom./ Dit is de tijd. Er gebeurt geen wonder, / maar Hij telt langzaam van één tot honderd, tot honderdtien ... en dan: Ik kom.

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie