Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Jacques Gans, bijgenaamd 'een tientje'

Cultuur

CO WELGRAVEN

Review

In het voorjaar van 1955 betrad de columnist Jacques Gans een café aan de Amsterdamse Rozengracht. Daar was op dat moment een feestje gaande van Het Parool. Zo'n vijftig journalisten bevolkten het etablissement. Toen zij de voormalige communist Gans, die dat jaar tot verbijstering van iedereen was overgelopen naar de krant van wakker Nederland, ontwaarden, hieven zij een scheldkanonnade aan: ,,Eruit, smerige Telegraaf-man.''

Gans, befaamd bezoeker van dranklokalen in de hoofdstad, besefte op dat moment dat hij van de ene op de andere dag een paria was geworden in het Nederlandse journalistenwereldje. Hij was in geen enkel café meer welkom en werd door collega's met de nek aangekeken.

Met deze anekdote begint het boek 'Jacques Gans, Biografie' van de neerlandicus Willem Maas over het roerige leven van een van de kleurrijkste journalisten die Nederland heeft gekend. Gans, geboren in 1907, was in de jaren dertig een rasechte communist, aanvankelijk een aanhanger van Stalin, vervolgens van Trotski, daarna een radencommunist, een liberaal anarchist en tenslotte 'een conservatief met anarchistische trekjes' die graag tegen de sociaal-democratie mocht aanschoppen.

Hij was een bohémien die Europa afreisde, in Frankrijk, Duitsland en Engeland woonde, een onaangepast mens die een uitgesproken hekel had aan de burgermaatschappij, een 'uitvreter' die voortdurend geldgebrek leed en altijd geld bij anderen leende - zijn bijnaam was 'een tientje'. Een man die veel dronk, achter de vrouwen aanzat, die in cafés steeds op de vuist ging (hij klaagde eens dat de brillenrekening bij de opticien 'een catastrofale omvang' had aangenomen), die boeken en gedichten schreef en voor het ene na het andere onooglijk blaadje werkte tot hij, na eerst bij de Haagse Post gezeten te hebben, in 1955 voor de Telegraaf stukjes ging schrijven waarin hij vooral de PvdA van Willem Drees en - later - Joop den Uyl op de korrel nam, in weinig zachtzinnige bewoordingen. Een man die met jan en alleman ruzie had. In zijn oudejaarsconférence van 1966 zei Wim Kan dat Gans de RAI wel kon afhuren als hij zijn vijanden moest ontvangen.

De biografie staat bol van de smakelijke verhalen waarvan vaak verschillende versies in omloop zijn want ze werden in de loop der jaren bij de mondelinge overlevering behoorlijk aangedikt. En Gans zelf nam het niet altijd even serieus met de waarheid en mocht zich nogal eens vergissen in data.

Maar smakelijk blijven ze. Zo zou de Engelandvaarder Gans bij zijn eerste bezoek aan koningin Wilhelmina op de vraag of hij wel een kopje thee lustte, geantwoord hebben: ,,Mevrouw, ik houd niet van liegen - een biertje graag.'' Bij dat of een later bezoek liet de koningin zich ontvallen dat ze, anders dan de verhalen wilden, helemaal niet zo rijk was. ,,Meneer Gans, u moest eens weten hoe arm ik ben.' Maas schrijft vervolgens: ,,Daarop legde Gans het koekje dat hem zojuist was gepresenteerd demonstratief terug.''

De biograaf van een journalist/schrijver heeft het voordeel dat hij gebruik kan maken van nagelaten werk, en Maas doet dat ook uitbundig. Hij citeert uit boeken, gedichten, columns, reisverhalen, en uit bewaard gebleven correspondentie met autoriteiten, want Gans lag regelmatig in de clinch met de gezagsdragers. Hij nam het in de jaren vijftig eens op voor de uitbater van het Amsterdamse kaashuisje Grignon (dat ook vrijwel dagelijks door de leiding van deze krant bezocht werd - maar dit terzijde). Deze kreeg van ambtenaren te horen dat zijn uitstalkast op het trottoir dertig centimeter te ver uitstak. Gans, zelf van joodse afkomst, adviseerde hem de volgende brief aan het college van B en W te schrijven: 'Geacht college, Ik heb de eer te behoren tot het volk, dat in de afgelopen oorlog vervolgd werd omdat onze neuzen een centimeter langer waren dan die van andere volksstammen. Momenteel dreigt opnieuw vervolging, omdat mijn etalage buiten de rooilijn springt. Ik ben echter genegen om afstand te doen van mijn natuurlijke voorsprong en stel U derhalve voor mijn uitstalkast met 1 cm in te korten.''

Door de aanpak van de schrijver laat Maas de periodes in Gans' leven waarin deze weinig schreef onderbelicht. En dat is soms jammer. Zo kan hij, doordat er slechts 'schaarse gegevens' zijn, nauwelijks ingaan op het verblijf van de journalist in Berlijn in de tijd van de opkomst van Hitler. Dit terwijl de uitgever de biografie aan de man probeert te brengen met de stelling dat Gans zo'n interessante man is omdat hij getuige was van cruciale ontwikkelingen in de wereldgeschiedenis. ,,Hij had het geluk steeds op de juiste tijd op de juiste plaats te zijn.''

Wat nou precies de betekenis is geweest van Gans voor de Nederlandse journalistiek, komt in de biografie niet helemaal uit de verf. ,,Als invloedrijk opinieleider is Gans de geschiedenis niet ingegaan en er is geen reden om voor revisie van dit beeld te pleiten'', is de droge conclusie die de auteur in het slothoofdstuk nauwelijks onderbouwt.

Literair gezien is Gans, die in 1972 overleed, wel degelijk een interessante figuur, stelt Maas. En hij was een zeer scherp waarnemer die zijn tijd soms ver vooruit was. ,,Wie nu Gans' meningen over het communisme en de rol van de overheid leest, kan vaststellen dat veel van wat Gans verkondigde, inmiddels gemeengoed is geworden.'' Die twee kanten van Gans rechtvaardigen volgens de auteur een biografie, die sappige details en interessante gegevens bevat maar die door gebrek aan samenhang en duiding van Gans' betekenis uiteindelijk toch teleurstelt.

Deel dit artikel