Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Is liefde niet belangrijker dan huidskleur?

Cultuur

Shira Keller

James Baldwin © ANP
Boekrecensie

In 2016 verscheen ‘I am not your negro’, een indrukwekkende documentaire over de Afro-Amerikaanse schrijver James Baldwin. 

Daarin komt een fragment voor uit een talkshow, met een felle discussie tussen Baldwin en filosofieprofessor Paul Weiss. “Door nadruk te leggen op zwart en wit, zegt de laatste, deel je de mensheid op in groepen die niet zouden moeten bestaan.”

Lees verder na de advertentie

Weiss pleit ervoor te focussen op wat mensen gemeen hebben, niet op de verschillen, want daarmee zou je die verschillen enkel accentueren. In zijn repliek laat Baldwin geen spaan van de Yale-professor heel. Vurig en in virtuoze volzinnen onderwijst hij de man over de reële gevaren waar zwarte mensen in Amerika mee te maken hebben en over de naïviteit en feitelijke onbruikbaarheid van diens idealistische opvatting.

Het is volgens Baldwin de angst voor kwetsbaarheid, de angst voor ‘het vlees’, uiteindelijk de angst voor de dood, die witte mensen verhindert hun privileges op te geven

Zojuist bracht De Geus twee titels van Baldwin in vertaling uit: ‘Niet door water maar door vuur’, twee essays-in-briefvorm uit 1963, en ‘Als Beale Street kon praten’, zijn roman uit 1974, dit jaar verfilmd. In beide boeken speelt raciale ongelijkheid een grote rol. In de roman maakt hij voelbaar hoe twee zwarte jongeren zich in het Harlem van de jaren zeventig staande proberen te houden en in de essays onderzoekt hij de mogelijke oorzaken en oplossingen van het probleem.

Terwijl ik de twee werken las, bleef Baldwins confrontatie met Weiss in mijn gedachten. Want hoe fanatiek Baldwin zich in het filmfragment ook tegen Weiss’ opvatting keert: hun conflict belicht ook een tweestrijd in Baldwin zelf.

Grenzeloos optimisme

Wat me het meest trof tijdens het lezen van ‘Niet door water maar door vuur’ was het grenzeloze optimisme waarmee Baldwin raciaal onrecht te lijf gaat. Ondanks de afschuwelijkste ervaringen met witte mensen blijft hij aandringen op empathie en verweert hij zich met kracht tegen de gevolgtrekking dat witte mensen ‘slechte mensen’ zouden zijn. Nooit klinkt hij verbitterd. Onvermoeibaar blijft hij aandringen op mildheid en wederzijds begrip. 

Als je de zelfstandig naamwoorden in ‘Niet door water maar door vuur’ op frequentie zou rangschikken, dan belandt het woord ‘liefde’ in de top-tien. Huidskleur, schrijft hij in ‘Aan de voet van het kruis’, het tweede essay in de bundel, “is niet een algemeen menselijke of persoonlijke realiteit, het is een politieke realiteit.”

Dat het toekennen van waarde aan huidskleur absurd willekeurig is moge hopelijk duidelijk zijn. “Ik hoop zo dat [er] over vijftig jaar”, schrijft Gloria Wekker in haar mooie inleiding, “geen betekenis meer vastzit aan huidskleur.” Het is ook Baldwins hoop.

Volgens hem is het motief om huidskleur betekenis te geven (‘een ander’ in het leven te roepen) niet een zucht naar macht, noch een angst voor die ander, maar een angst voor het ‘zelf’. Zijn verklaring doet psychoanalytisch aan: “De witte projecteert zijn persoonlijke angsten, die hij niet durft toe te geven en kennelijk niet kan uiten, op de zwarte.” 

Willekeur

Het is volgens hem de angst voor kwetsbaarheid, de angst voor ‘het vlees’, uiteindelijk de angst voor de dood, die witte mensen verhindert hun privileges op te geven. “Misschien dat daar de oorzaak van onze ellende, van alle menselijke ellende in ligt, dat wij bereid zijn alle schoonheid van ons leven op te offeren en ons willen opsluiten in totems, taboes, kruisen, bloedoffers, kerktorens, moskeeën, rassen, legers, vlaggen en naties om het feit van de dood te kunnen ontkennen.” Zo herleidt hij de ‘rassenkwestie’ tot een universeel lijden - wat hem niet onverdeeld populair maakte in de Amerikaanse zwarte gemeenschap.

Zijn redenering vind je terug in Toni Morrisons recente boek, ‘De herkomst van Anderen’, waarin ook zij de behoefte aan een ‘vreemdeling’ met geprojecteerde angst verklaart. “De vreemdeling is niet vreemd, ze is willekeurig,” schrijft ze, “niet afkomstig uit een andere wereld maar uit onze herinnering; en het is de willekeur van de ontmoeting met ons eigen zelf, dat we al kennen - zij het niet érkennen - dat iets van angst doet opflakkeren.”

Hoe banger we zijn, des te fanatieker plaatsen we hekken, bewaken we grenzen en verdedigen we tradities

Wanneer je die ‘ander’ nodig hebt om je eigen angsten te bezweren, ze buiten jezelf te kunnen plaatsen en er geen verantwoordelijkheid voor te hoeven voelen, dan is het nauwelijks verwonderlijk, vervolgt Morrison, ‘dat we ons met hand en tand verzetten tegen het idee dat de mensheid één is’. Hoe banger we zijn, des te fanatieker plaatsen we hekken, bewaken we grenzen en verdedigen we tradities.

Alleen is het in werkelijkheid niet die ‘gevaarlijke ander’ die ermee op afstand wordt gehouden, maar, beweert ook Baldwin, ‘het eigen spiegelbeeld’. Het gevolg van dit soort massale projecties is volgens Baldwin een collectief gevoel van leegte: ‘deze vertwijfeling, deze kwelling wordt overal in de westerse wereld gevoeld’. 

Wie zijn diepste angsten buiten zichzelf plaatst, doet onvermijdelijk hetzelfde met zijn passie, zijn levenskracht, zijn liefde. Wie de dood buiten de deur houdt, sluit ook het leven buiten.

Steeds wanhopiger

Dood en leven, liefde en angst; het zijn voor Baldwin twee zijden van dezelfde medaille. Ook in ‘Als Beale Street kon praten’ plaatst hij liefde en angst tegenover gevoelloosheid. De roman verscheen ruim tien jaar na ‘Niet door water maar door vuur’, en in de tussentijd waren Baldwins goede vrienden Martin Luther King, Malcolm X en Medgar Evers vermoord. Something has altered in me, schrijft hij erover in zijn essaybundel ‘No Name in the Street’ (1972).

In ‘Als Beale Street kon praten’ is het voelbaar; zijn optimisme heeft een bittere bijsmaak gekregen. De eerst lichtvoetige, vertederende vertelstem van de 19-jarige Tish krijgt een steeds grimmiger ondertoon. Ze vertelt over haar kersverse verloofde Fonny, die onterecht in de gevangenis belandt. De onmacht zich tegen zijn veroordeling te verweren stemt haar steeds wanhopiger; frustraties worden bruut afgereageerd op familieleden met ‘gemengd bloed’.

Hoe hard Tish ook probeert zich te verweren tegen haat en wraakzucht, haar verslag leidt onvermijdelijk tot de veroordeling van witte mensen. “Is er dan geen enkele rechtvaardige onder hen te vinden?” vraagt ze zich moedeloos af. Nee, is haar conclusie. “Geen enkele.”

Tish mag de hoop dan opgeven, zelf blijft Baldwin tot in het laatste interview voor zijn dood in 1987 vasthouden aan wat hij in ‘Niet door water maar door vuur’ verkondigt. “Er zijn een paar mensen van wie ik hou, en zij houden van mij, en sommigen van hen zijn wit. En is liefde niet belangrijker dan huidskleur?”

Ik stel me voor dat professor Paul Weiss bij deze uitspraak gretig zou hebben geknikt.

Als Beale Street kon praten. James Baldwin. © -

James Baldwin
Als Beale Street kon praten
Vert. Harm Damsma 
De Geus; 318 blz. € 13,99

Niet door water maar door vuur. James Baldwin. © -

James Baldwin
Niet door water maar door vuur
Vert. Harm Damsma
De Geus; 160 blz. € 16,99

Recensenten van Trouw bespreken pas verschenen fictie, non-fictie, jeugdliteratuur en thrillers. Meer recensies leest u hier.

Deel dit artikel

Het is volgens Baldwin de angst voor kwetsbaarheid, de angst voor ‘het vlees’, uiteindelijk de angst voor de dood, die witte mensen verhindert hun privileges op te geven

Hoe banger we zijn, des te fanatieker plaatsen we hekken, bewaken we grenzen en verdedigen we tradities