Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Irenaeus van de kerk die nooit meeveert

Cultuur

Jan Greven

Review

Vraag eens naar de plekken waar het christendom zich het eerst ontwikkeld heeft. Tien tegen een hoor je Klein-Azie, Antiochië en Rome. Maar het Franse Lyon? Toch werd kerkvader/theoloog Irenaeus daar al omstreeks 180 bisschop.

Over zijn leven is weinig bekend, maar Irenaeus staat dichtbij het begin van het christendom. Hij groeide op in het Klein-Aziatische Smyrna, waar hij naar eigen zeggen Polycarpus nog gehoord heeft. Van deze Polycarpus vertelt een andere kerkvader, Ignatius, dat hij leerling was van de apostel Johannes. Van Irenaeus naar Jezus zijn er dus maar twee trapjes. Zo snel was het christendom, uiteraard met dankzegging aan het Romeinse rijk, in het hart van Europa.

De kerkhistoricus Eginhard Meyering heeft er, zo vertelt hij, veertig jaar Irenaeus-studie op zitten. Dat is heel lang, maar Irenaeus bevalt Meyering en als ik hem goed lees eigenlijk steeds meer. Dat komt vooral doordat Irenaeus recht op en neer opkomt voor het traditionele, orthodoxe christendom, waarin God met Zijn schepping en verlossing ingrijpt in de menselijke geschiedenis.

Niet alleen Lyon heeft dus oude papieren. Het 'gewone' orthodoxe christendom, met zijn leer van schepping, zondeval en verlossing door Gods Zoon, heeft die ook. Als je Meyerings samenvatting van Irenaeus' theologie leest, is het of je een ouderwets degelijk catechesatieboekje leest. Die beproefde orthodoxie vindt Meyering in Irenaeus zo aan. Ook al omdat hij het er van harte mee eens is en, net als de kerkvader, niets moet hebben van mensen die vanuit een andere dan de orthodoxe visie vraagtekens zetten bij deze geloofswaarheden. Meyering denkt daarbij vooral aan de moderne opvatting van een wordende, liefdevolle God, die zich door zijn liefde procesmatig in deze wereld realiseert. Mensen die deelnemen aan dat proces van goddelijke liefde zijn met deze God verbonden. Waar liefde heerst, gebiedt de Heer niet alleen zijn zegen, maar wordt hij zelf als wordende God openbaar.

Het is een manier van denken over God, zoals je in deze tijd tegenkomt bij nogal wat theologen. Om me te beperken tot wie in deze rubriek de afgelopen tijd de revue gepasseerd zijn: G.D.J. Dingemans, Hans Küng en nog andere godgeleerden van katholieken huize. In Irenaeus' tijd waren het gnostici die zo dachten. Tegen hen schreef Irenaeus het boek dat bij Meyering veertig jaar op het bureau heeft gelegen en waarvan de titel al meteen aangeeft waar het om begonnen is: Tegen de ketters.

Aan het slot van zijn boek stelt Meyering vast dat nogal wat hedendaagse gelovigen het betreuren, dat Irenaeus het gevecht met de ketters heeft gewonnen en niet zijn tegenstanders, de gnostici. Zou de kerk niet beter af geweest zijn als de uitslag andersom geweest was?

Meyering zegt dat niet met zoveel woorden, maar mij lijkt het evident, dat de kerk een voorbijgaand verschijnsel in de menselijke geschiedenis zou geweest zijn, als dat laatste het geval zou zijn geweest. Terecht schetst Meyering dat het tussen Irenaeus en de gnostici gaat om twee elkaar uitsluitende opvattingen. Of God grijpt 'soeverein' in in het menselijk bestaan en neemt het initiatief tot overbrugging van de afstand tussen hem en de mensen, zoals Irenaeus gelooft. Of van een absolute kloof tussen God en mens is geen sprake, omdat de mens in zich een sprankje goddelijkheid heeft, waardoor hij, mits hij dat sprankje tot ontplooiing brengt, na dit aardse leven weer zal opgaan in het goddelijke zijn.

Door het vet onderstrepen van de onoverbrugbare afstand tussen God en mens geeft Irenaeus de kerk, als de enige instantie via welke deze afstand overbrugd kan worden, eigen functie en identiteit. Los van de persoonlijke kwaliteiten van de personen die in de kerk het 'overbruggingsambt' uitoefenen.

In gnostische gezelschappen hoeft de kerk, als het er echt op aankomt, die functie niet uit te oefenen - iedereen heeft immers een vonkje van het goddelijk zijn. Met als gevolg dat in deze groeperingen de bemiddeling met God vooral plaats vindt door de voorbeeldfunctie van in het bijzonder met goddelijke vonken begiftigden. Modern gezegd: eerder via de goeroe, dan via de ambtsdrager. Sterft de goeroe, dan valt de groep in negen van de tien keer uit elkaar. De kerk had dat proces van steeds opnieuw uit elkaar vallen en opnieuw beginnen niet twintig eeuwen volgehouden.

Het probleem van de kerk vandaag, zo blijkt nog weer eens uit Meyerings boek, is dat zij aan de ene kant al haar kaarten gezet heeft op de soevereine, van buitenaf ingrijpende God en aan de andere kant in een tijd leeft waarin bij het bestaan van zo'n God steeds meer vraagtekens geplaatst worden. Door al die vraagtekens wordt de aantrekkelijkheid van wat in Irenaeus' tijd als gnostiek werd aangeduid, steeds groter.

De kerk heeft de eeuwen doorstaan doordat ze met haar fundamenten op de rots is gebouwd. Irenaeus heeft keihard, ook in zijn redeneren, aan die verankering gewerkt. Meeveren, zoals gebouwen kunnen meeveren bij aardschokken, kan de kerk daardoor net zomin als Irenaeus in zijn boek tegen de ketters. Dat heeft de kerk sterk gemaakt, maar ook kwetsbaar. Want het is alles of niets. Of ze doorstaat de aardschokken, of de schokken zijn sterker dan het fundament. Irenaeus was er zeker van dat laatste nooit zou gebeuren. Achttien eeuwen later proef je bij Meyering dat hij graag hetzelfde zou willen zeggen, maar dat Irenaeus' stelligheid, ook in de aanpak van zijn tegenstanders hem toch te ver gaat. Anderzijds geen reden om zijn held te laten vallen, daarvoor steekt zijn liefde voor het harde fundament te diep.

Deel dit artikel