Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Indianenverhalen over het Wilde Westen

Cultuur

HANS VELDMAN

Review

In het Amerikaanse historisch bewustzijn neemt de Trek naar het Westen een belangrijke plaats in. Op geromantiseerde wijze worden de pioniers beschreven als stoere Amerikanen die tijdens hun tochten over de prairies elke ontbering trotseerden en een mannelijke saamhorigheid vertoonden die illustratief was voor de wording van de Amerikaanse natie. De Amerikaanse historicus Frederick Jackson Turner formuleerde in 1893 als eerste deze betekenis van de expansie naar het Westen. In zijn frontier-these stelde hij dat uit de strijd van de pioniers met de wildernis een democratische samenleving ontstond, dat Amerika in de jaren tussen 1810 en 1870 een identiteit aannam die volgens velen tot op heden weinig meer is veranderd.

Ofschoon in de Amerikaanse historiografie met de frontier-these regelmatig afgerekend is en een meerderheid van de Amerikaanse historici het standpunt huldigt dat Turner te weinig oog had voor het gewelddadige en gewetenloze karakter van de samenlevingen in het Westen, vormt de westwaartse trek nog steeds een vastomlijnd onderdeel van het Amerikaanse collectieve bewustzijn. In reisgidsen en historische rondleidingen wordt de expansie nog altijd gepresenteerd als een avontuurlijk gevecht tegen de gevaarlijke Indianen. De routebeschrijvingen van de 'trails' waarlangs de pioniers trokken bevatten nog tal van afbeeldingen met stoere blanke cowboys die, starend in de verte, genieten van hun rustgevende Marlboro-sigaret.

Deze mythologisering van het Westen overschaduwt nog steeds de werkelijkheid van een cowboy-cultuur die maar twintig jaar duurde, van 1860 tot 1880. Vanaf 1860, toen het vee voor transport naar treinen moest worden gedreven, werden de koeienjongens belangrijk. Maar al na 1880 vervielen ze tot de status van keuterboer of mijnwerker, omdat de prairies door overbegrazing dorre vlaktes waren geworden.

Het is niet verwonderlijk dat de herinnering aan het 'Wilde Westen' weinig is veranderd. Elke natie heeft een overzichtelijk verleden nodig en een geschiedenis die bij het heden past. Terwijl Nederland zich verlekkert aan een tentoonstelling over Rembrandt, zo blijft Amerika zijn herinnering aan het Westen mythologiseren.

Natuurlijk is er wel een besef dat de expansie rare elementen bevatte. Zo is er nog steeds uitgebreid aandacht voor de merkwaardige trek naar de zoutwoestijn in Utah door de gemeenschap der mormonen. Deze godsdienstige groep, gesticht door Joseph Smith, had in het oosten te lijden gehad van veel vervolging, waarbij ook de stichter zelf was omgekomen. Zij vond een nieuwe geniale leider in Brigham Young, een zeer begaafde man die met al zijn volgelingen in 1847 naar het westen trok en in de woestijn een bloeiende kolonie stichtte. In het historische bewustzijn worden de ideeën van de mormonen, in het bijzonder hun officiële polygamie, op de koop toe genomen. Hun ijver en doorzettingsvermogen dwongen bewondering af en voor menigeen was dit voldoende om de mormonen een plaats te gunnen te midden van die pioniers die de Amerikaanse waarden vertegenwoordigen.

In de romantisering van de westwaartse expansie neemt de 'goldrush' een belangrijke plaats in. Om Californië draaide alles. Daar immers werd goud gevonden en daar trokken de meesten heen om hun geluk te beproeven. Volgens menigeen belichaamden de goudzoekers de ware ziel der natie. Hun onverzettelijkheid en ondernemingszin staan voor het kapitalistische Amerika. Dat is zelfs zo sterk dat de golddiggers soms als de grondleggers van het Amerikaanse democratische kapitalisme beschouwd worden.

Bovendien bewezen zij als saamhorige blanke avonturiers dat het land geen samenraapsel was van vele vreemde volkeren of sociale geledingen, maar duidelijk één natie was. De formulering van de Amerikaanse historische identiteit is dan ook vooral blank georiënteerd. Weinig melding wordt er gemaakt van het feit dat een groot deel van de cowboys niet een blanke maar een donkere huidskleur had en dat Mexicanen, Afro-Amerikanen en andere minderheidsgroeperingen een belangrijke bijdrage leverden aan de ontwikkeling van de samenlevingen in het westen.

In 'Roaring Camp: The Social World of the California Gold Rush' maakt historica Susan Lee Johnson duidelijk dat de Amerikaanse pioniers in hun zoektocht in de goudmijnen sterk afhankelijk waren van 'niet-Amerikanen'. Op basis van brieven van pioniers constateert zij dat Mexicanen, Fransen, Chinezen en Afro-Amerikanen de ruggengraat vormden van de zich ontwikkelende pioniersnatie. In de mijnen werkten de nationaliteiten nauw samen, ieder had zijn eigen taak of specialisme en aan het eind van een dag van vaak tevergeefs goudzoeken, had elke minderheid een specifiek aandeel in het sociale leven buiten de mijn. Terwijl de Indianen de dansavonden verzorgden, waren de Fransen verantwoordelijk voor de keuken.

Een complicerende factor in het leven van de mijnwerkers was het gebrek aan vrouwelijk schoon. Maar ook hier deed zich op natuurlijke wijze een oplossing voor. Engelse mijnwerkers gingen de Chinese en Franse mannen feminiseren. Op hun beurt namen laatstgenoemden zelf een vrouwelijke rol aan. Homoseksuele verhoudingen ontwikkelden zich niet in het daglicht, maar onder de grond in de donkere met stof omringde schachten. Wensten de mijnwerkers hun liefdesrelaties bij daglicht voort te zetten, dan konden zij terecht in de hutten van de Mexicanen, een groep die overigens het amoureuze monopolie had binnen de pionierssamenleving. De Mexicanen zorgden voor de vrouwen en golden als ware relatiebemiddelaars tussen verschillende en gelijke geslachten.

Johnson constateert dat het sociale leven van de goudzoekers vaak eenzijdig belicht is omdat het niet in overeenstemming is met het hedendaagse Amerikaanse normen- en waardenpatroon. Volgens mij is dit een te gemakkelijke verklaring. Natuurlijk zijn seksualiteit en met name homoseksualiteit en polygamie beladen kwesties in Amerika, maar het is meer het keurslijf van de mythologisering zelf dat het historische beeld van het Westen bepaalt.

Illustratief hiervoor is de manier waarop over de rol van de Indianen is geschreven. Tot halverwege de twintigste eeuw golden de Indianen als barbaars. Het onderbrengen van hen in reservaten werd als een daad van beschaving uitgelegd. Vooral de Sioux moesten het ontgelden in de vroeg-twintigste-eeuwse geschiedschrijving. Omdat zij zich heftig teweerstelden tegen de blanke migratie, heetten ze kwaadaardig.

Inmiddels is geaccepteerd dat de Sioux geenszins een georganiseerde agressieve gemeenschap vormden. Net als de andere nomaden op de vlakten waren ze geen groep die onder centraal gezag stond. Ze vormden een losse federatie van stammen, verbonden door huwelijk en een jachtcultuur met driedaagse rituelen van zonnedansen.

Johnson maakt duidelijk dat de Indianen in Californië, de Miwokis, bij de pioniers bekendstonden als vredesapostelen, verantwoordelijk voor het vertier en de goede sfeer. Vooral deze Indianen werden door de blanken ingeschakeld om te bemiddelen in conflicten over aanspraken op een goudader of goudmijn. In de pionierssamenlevingen vormden de Indianen juist een stabiliserende, bindende factor en in dit opzicht zijn de eindeloos verfilmde gevechten met hen slechts voetnoten in de Amerikaanse land- en mijnbouwgeschiedenis. Dat de mythe juist anders wil laten geloven is dan ook heel verklaarbaar. Een reaniminatie van de sociale betekenis van de minderheden in het Wilde Westen zou alleen maar afbreuk kunnen doen aan het historische beeld van de oorsprong van het moderne Amerika.

Deel dit artikel