Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

In een vrolijk doolhof hebben de Nederlandse striphelden eindelijk een thuis gevonden.

Cultuur

JONATHAN HUSEMAN

Of het net zo'n succes wordt als het Groninger museum, zoals burgemeester hoopt, valt nog te bezien. Maar de initiatiefnemers zijn al blij dat het eerste Nederlandse Stripmuseum eindelijk de deuren heeft geopend.

In de herfst van 1993 wilde een clubje Groningse stripliefhebbers hun droom verwezenlijkt zien. Werd het geen tijd dat Nederland, net als Frankrijk en stripparadijs België, zijn eigen stripmuseum kreeg? Jaren van vallen en opstaan en financiële beslommeringen gingen voorbij. Meermalen leek het project te worden afgeblazen, maar met subsidies van gemeente en provincie is het er nu toch van gekomen. De Libéma-groep, die in vermaak doet en bijvoorbeeld ook safaripark Beekse Bergen en het Autotron beheert, staat borg voor de exploitatie. Het pand van architect Jurjen van der Meer is niet gevestigd in de meest fantasievolle omgeving: het nieuwe winkelcentrum aan de Westerhaven (met nota bene dezelfde ingang als de McDonald's). En binnenin komt wat in elf jaar geleden als hersenspinsel begon tot leven.

,,Het is één groot paradijs”, jubelt bestuurslid Hans Matla verrukt. Matla, een van de grootste verzamelaars van Nederland en schrijver van de stripcatalogus, schuifelt 's ochtends al door het museum en leidt met genoegen belangstellenden rond. ,,Het is open! Dat is wel emotioneel. Ik ben er helemaal kapot van. Kippenvel. Hét Nederlandse beeldverhaal vind je hier. Wat jaren verborgen bleef, is nu voor publiek te bezichtigen. Eén lievelingsplek heb ik niet. Het is net als met wat je het liefste eet. De ene keer is het Jan Jans, dan weer Bommel of Guust.”

Dat het stripmuseum in Groningen hoort, staat voor stichtingvoorzitter Bert Brink buiten kijf. Oké, Haarlem heeft de Stripdagen, maar Groningen het Smallpress festival. En was het niet de Groningse schrijver J. J. Gouverneur – bekend van 'In een groen groen groen groen knollen knollenland' – die in 1854 het eerste stripboek 'Monsieur cryptograme', van de Zwitser Rodolphe Töpffer, als 'De avonturen en reizen van Meneer Prikkebeen'

in het Nederlands vertaalde?

Niet alleen voor kenners en stripliefhebbers is het museum een labyrint van herkenning geworden. Ook voor wie af en toe strips leest of heeft gelezen – en wie heeft dat nou niet – komen tal van bekende figuren voorbij. Het is een veelal vrolijk doolhof van kleur en geluid. Strips vormen misschien de meest laagdrempelige kunstvorm, zei Wallage in zijn toespraak, en met dat idee is het museum ingericht. In een kooi brult een levensgrote gorilla uit Kuifje en verderop krast heks Eucalypta door bezoekers ingesproken woorden na, terwijl in een vitrine om de hoek allerlei parafernalia liggen van de schepper van Paulus de Boskabouter (Jean Dulieu, Jan van Oort). Een gang leidt ter algemene inleiding langs niches die zeven bekende Nederlandse strips en hun tekenaars tot thema hebben, waaronder Sjors en Sjimmie en Jan Jans en de kinderen. Drie buitenlandse beroemdheden kregen een plek: Donald Duck, Suske en Wiske en Kuifje.

Zo mikt het museum mikt op de jeugd, hun ouders en – met originelen – de ware stripfanaten. Een afgezaagde Mini-auto (zoals heldin Franka van Henk Kuipers die in de strips rijdt) steekt uit de muur. Op een televisie in weer een apart kamertje draait een poppenfilm van Suske en Wiske. Een 'atelier' toont met originele schetsen hoe een strip totstandkomt en er is een film van tekenaars aan het werk, om de ambachtelijke zijde van het vak te belichten. De geschiedenis van de strip is te volgen op Comiclopedia, een groot scherm dat verbinding heeft met de internetsite. Op de tweede etage zijn computerclips te zien, meer 'underground'-strips en er hangt werk van opkomend talent.

Een pagina uit een oude Kuifje hangt naast een modernere van de speurneus, waardoor te zien is hoe de wereld om Kuifje (en zijn geestelijk vader) heen zich ontwikkelde. Eerst tekent Hergé bakbeesten van televisies, later de compacte beeldbuisjes. Ook de bolhoeden en krulsnorren zijn verdwenen. Hergé – de perfectionist – hertekende zijn oeuvre, legt conservator Joost Pollmann uit. Lang niet altijd een verbetering, vindt Pollmann, maar het toont hoe hij poogde door te leren. Het museum bevat nu duizenden bruiklenen, door Pollmann bijeengesprokkeld, maar heeft nog geen eigen collectie.

De vele Nederlandse tekenaars die geen eigen kamer kregen toebedeeld, zullen in tentoonstellingen belicht worden. Matla: ,,We moesten er zeven kiezen. Da's huilen, da's verschrikkelijk. We hebben gepoogd de genres zo goed mogelijk vertegenwoordigd te krijgen. Realistisch, humoristisch, kleur en zwart-wit. Maar niet alles kan.”

Deel dit artikel