Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

In de bundel ‘Een Goudvis’ volgt na ieder vraagteken een nieuwe vraag die verbaast of verrast

Cultuur

Janita Monna

© Maartje Geels
Poëzie

Zelf had ik er vroeger twee. Twee goudvissen. Ze kwamen uit de dierenwinkel, ik kreeg ze mee in een doodgewoon plastic zakje. Vermoedelijk heeft half Nederland een goudvis als huisdier. Maar wie haalde dat dier ooit naar hier?

Wie daar meer over wil weten zou Arjen Duinkers nieuwste werk kunnen lezen, een bundel met de prettig concrete titel ‘Een goudvis’.

Lees verder na de advertentie

Duinker is zo’n dichter die ongeveer alle grote poëzieprijzen kreeg, maar die zich toch altijd aan de rand van de literaire wereld ophoudt. Hij gaat zijn volstrekt eigen gang en schrijft bijvoorbeeld - zie zijn vorige bundel ‘Catalogus’ - gedichten die vrijwel alleen uit zelfstandige naamwoorden bestaan. Daarbij is hij een gretig gebruiker van het uitroepteken, en ook van het vraagteken. En vraagtekens staan er in ‘Een goudvis’ flink veel. Sterker, de bundel telt uitsluitend vragen: persoonlijke, praktische, filosofische, alledaagse, jolige, wezenlijke en flauwekulvragen, halve vragen en vragen die misschien eerder opmerkingen zijn.

Maar antwoord komt er niet. Nergens. Daardoor heeft dat spervuur van vragen wel iets van de manier waarop jonge kinderen eindeloos kunnen doorvragen.

“Welke taal vinden wij de mooiste? / Is er een reden voor alle kantoren? / Werkte Souwie daar ergens in de buurt? / Welke taal spreken we in het hotel? / Goedemiddag, heb ik een goudvis op mijn kamer?”

Kleine meneer Kees

En dan zijn al die vragen ook nog eens grillig aaneen geschakeld, alsof Duinker zinnetjes uit toevallig opgevangen gesprekken achter elkaar geplakt heeft. Als stemmen van een veelkantige wereld waar zowel voor het banale als het diepzinnige plek is.

Omslag van 'Een Goudvis' van Arjen Duinker © Uitgeverij Douane

Maar bij nadere lezing blijken die vragen toch niet zo heel willekeurig. Meteen de eerste strofe van de bundel zet Duinker een spoor uit: de naam Job Baster valt, en dat was behalve een geneesheer uit Zierikzee ook degene de eerste goudvis naar Nederland bracht (leert Wikipedia).

De naam van Baster komt vaker terug, de goudvis vanzelfsprekend ook, zoals ‘kleine meneer Kees’ regelmatig opduikt in de vragen, evenals Bes - “Weet je waar Bes is, / Bes met zijn verrekijker / En zijn grijze das? / Onderweg?”, en Emiel en tante Maja en oom Widar, Sala en Petra: een eindeloze stoet namen komt voorbij.

De vraag naar bijvoorbeeld de werkplek van Souwie is niet belangrijker dan de meer filosofische vraag: ‘Raakt de tijd ons niet?’

Het zijn zaken die ieder mens bezighouden. Wie we kennen, wat we weten, welke vragen we stellen aan anderen en aan onszelf, het bepaalt (mede) wie we zijn. Dat antwoorden uitblijven, als was er een glazen wand tussen mens en wereld, is enerzijds tragisch. Maar Duinkers gevraag houdt de moed erin.

Na ieder vraagteken volgt een nieuwe vraag die verbaast of verrast: “Hepie en Hepie?/ Hoe kom je daar opeens bij?”

Uit ‘Een goudvis’ van Arjen Duinker:

Wie kan me vertellen

Wat ik met een goudvis moet doen?

Is dat Sala zijn specialiteit?

Heeft Pamela genoeg van redeneringen?

Waarom zou ze? Om Marcela te plagen?

Zei ze dat ze die lapzwans

Bij het station had zien strompelen,

De man wiens naam we niet moeten noemen?

Op die belachelijk dure schoenen

Die hij van ons geld aanschaft?

Waarom blijft die drol niet thuis?

Hebben jullie nooit een goudvis gehad?

Lijken we daarom op elkaar?

Arjen Duinker Een goudvis

Douane; 62 blz. €17, 50

Janita Monna schrijft wekelijks over poëzie voor Trouw

Deel dit artikel