Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Ik zou wel gek zijn om genoegen te nemen met mijn eigen tijd

Cultuur

T. VAN DEEL

Review

Jan Tetteroo: Korte historie van het Nederlandse volk. L. J. Veen, Amsterdam; 175 blz. - ¿ 29,90.

's Nachts, op de Raamgracht in Amsterdam, is de man plotseling overvallen, met het mes op de keel, en die gebeurtenis heeft hem veranderd. Hij slaapt slecht, heeft nachtmerries, durft de straat niet meer op, is in het algemeen gesproken zijn vertrouwen kwijt. In zijn dagdromen reageert hij op de bedreiging heel anders dan hij in werkelijkheid deed, namelijk actief, zelfverdedigend, in het bezit van een superkracht. “Ik heb sinds dat moment nog maar één boodschap: handen thuis of ik hak ze van je lijf.”

De overval ervaart hij, uitvergroot natuurlijk, maar dat hoort bij zijn overspannen bewustzijn, als een vorm van bezetting en in dat opzicht heeft het Nederlandse volk enige ervaring, reden waarom hij de geschiedenis wil doornemen.

Op allerlei manieren, in het heden en in het verleden, is sprake van aantasting van de persoonlijke en nationale vrijheid. In de vier delen waaruit de roman bestaat, passeren de bezettingen door respectievelijk de Romeinen, de Spanjaarden, de Fransen en de Duitsers de revue. Niet zoals in een geschiedenisboekje, maar inlevend, dikwijls zo met de neus er bovenop dat we tijdgenoten zijn. Bovendien wordt telkens van de historische gebeurtenissen teruggesprongen naar het heden, ook naar de hedendaagse Italianen, Spanjaarden, Fransen en Duitsers, zoals de hoofdpersoon die volken en hun identiteit ziet.

Dit klinkt, zo gezegd, heel gestructureerd en globaal zit het boek inderdaad wel zo in elkaar, maar in de onderdelen ervan komt zoveel en zoveel wisselends aan de orde dat het soms erg chaotisch lijkt. Bij nadere beschouwing en herhaald lezen blijkt er echter veel meer samenhang te bestaan dan op het eerste gezicht leek.

De hoofdpersoon zit boordevol vragen en meningen, die hij in korte hoofdstukken, opgedeeld in korte, gevarieerde passages, op heftige toon tot uitdrukking brengt. “Alles wat anders is keur ik af. Dat heb ik altijd gedaan. Vanaf het allereerste begin. Alles kan en mag in dit nietige landje. Is dat identiteit? Elke griezelige minderheid krijgt een plaatsje aangeboden. Ik begin me behoorlijk 'anders' te voelen. Als Hollander ben ik eigenlijk niks. Wat zou ik moeten zijn? Alles kan en alles mag. Het maakt ze allemaal geen donder uit. Ik begin me een heel enge minderheid te voelen. Begrijpt u waar ik heen wil? Ben ik nog autochtoon? Elke dag voel ik me meer een allochtoon.”

Degene die dit zegt, de hoofdpersoon, vereenzelvigt zich geregeld met 'de Hollander', of met het land 'Holland' of met de historische 'Hollander'. Hij laat als het ware de geschiedenis door zich heen gaan en ondervindt die aan den lijve. Hij is een spreekbuis. Dat klinkt dan bij voorbeeld als volgt:

“Napoleon pakt mij vanwege mijn rijkdom. Alleen al in Amsterdam ligt evenveel geld als in heel Frankrijk. Napoleon wil al die poen naar Parijs halen. Maar het moet gebeuren alsof al die Hollanders het gratis en voor niets uitdelen uit bewondering voor Napoleon, om hem te helpen en te steunen bij al zijn verdere acties. Zie de Romeinen, zie de Spanjaarden. Het kan zijn dat dit kleine landje voor Napoleon uitdraait op een soort Vietnam. Aan de andere kant ben ik al zo ernstig verziekt en verzwakt dat je met wat diplomatie en vooral wat druk alles kunt bereiken.”

Het is verbluffend met hoeveel vaart en intensiteit Tetteroo, bij alle zijsprongen die hij ook maakt, deze 'historie van het Nederlandse volk' als roman vertelt. De ene keer zijn we de Kaninefaten die de Romeinen eraan zien komen, dan weer staan we als Willem van Oranje naast de Franse koning die zegt dat de ketters uitgeroeid moeten worden. Ook maken we een zeeslag mee van Michiel Adriaensz. de Ruyter tegen de Engelsen en horen we generaal Winkelman uit 14 mei 1940 opbellen naar Relus ter Beek met de vraag 'Kunt u mij helpen?'

Alles is bij Tetteroo mogelijk, alle tijden flitsen dwars door elkaar heen, historische gebeurtenissen worden actueel. “Waarom zou ik alleen in mijn eigen tijd leven? Er zijn zoveel tijden. Ik zou wel gek zijn om genoegen te nemen met mijn eigen tijd.”

Het lijkt erop dat de geschiedenis zich verdicht tot één bewustzijn, één gebeurtenis en daar wordt een enkele keer ook wel een etiket op geplakt: 'de Raamgracht'. De overval is het startschot en de motor van alle tekst in deze roman.

Een bijzondere rol speelt De Ruyter. Hij is de aanbeden held en zijn tombe in de Nieuwe Kerk fungeert voor de hoofdpersoon als een heilige plek. Hij gaat zelfs zo ver oog in oog te willen staan met de Hollandse zeeheld, of wat er van hem rest, en vraagt bij de betreffende instanties of hij een blik mag werpen in de tombe.

Volgens de flaptekst, die zeer ten onrechte aan deze verhaallijn de spanning van de roman wil ophangen, wordt hem de toegang ontzegd: “De vrouw die verantwoordelijk blijkt voor de weigering, gaat hij dag en nacht volgen. Dit brengt hem naar de Nieuwe Kerk en het graf, waar hij een uiterst lugubere ontdekking doet . . .” Daar is werkelijk niets van aan. Wat er bij de tombe plaatsvindt, is eerder volkomen absurd dan luguber. De hoofdpersoon woont er namelijk een kranslegging bij van een groepje Hongaren, dat wil herdenken dat De Ruyter ooit eenentwintig van hun landgenoten het leven heeft gered. Ze staan bij de tombe en doen dan iets ongelooflijks: ze zingen perfect verstaanbaar het Wilhelmus.

In de stroom van meningen en verhalen liggen uitspraken ingebed als “Dit land is een soort luxe gedoogzone aan het worden”, “We zijn een racistisch volk” of “Ik zal me niet uit dit land laten verjagen”. Ze kunnen geïsoleerd makkelijk verkeerd begrepen worden of worden afgedaan als paranoïde of iets in die trant. In de totale ideeënmuziek van de roman klinken ze echter volkomen overtuigend mee. De Romeinen komen eraan, de Kaninefaten staan in de waterige blubber die later Holland zal heten: “Ik wil dat die Romeinen opdonderen. Begrepen? Afmarcheren. Ophoepelen richting Rome. Moet ik nog duidelijker wezen? De brandspuit op die kerels. Laat ze in Afrika gaan kijken of er iets te koloniseren valt. Wij regelen dit zelf. Niks nodig. Dank u! Ook geen aquaducten. Water zat.”

Dit is de toon en de manier waarop Tetteroo zijn verdediging en hekeling van 'Holland' en het 'Hollandse' brengt. Bij alle ironie zit er in het hele verhaal ook veel verontrusting, historische en maatschappelijke betrokkenheid en verlangen naar een identiteit. Brutaal en agressief heeft Tetteroo zijn stof verwerkt, wat een meeslepende roman heeft opgeleverd.

Deel dit artikel