Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Ik zoek een goede plek om te huilen

Cultuur

De zeer populaire Deens schrijfster Helle Helle beschrijft graag heel gewone mensen. Zet ze ’de onderklasse’ daarmee te kijk, zoals critici beweren? Juist niet, vindt Henk van der Liet.

In de Deense pers is de laatste tijd een discussie op gang gekomen over de vraag of journalisten en schrijvers, die als een soort sociaal-antropologen onderduiken in de sociale onderklasse, dit eigenlijk wel mogen doen. Misbruiken ze hun bevoorrechte maatschappelijke positie niet voor eigen gewin en zetten ze weerloze en kansarme mensen niet onnodig te kijk? Misschien is het literair gezien allemaal wel in de haak, maar is het eigenlijk geen brevet van onvermogen, dat het eigen gebrek aan verbeeldingskracht moet verhullen? In dit debat valt vaak de naam van de zeer succesvolle schrijfster Helle Helle en de titel van haar laatste roman ’Naar de honden’ (2008), waarvan zojuist ook een Nederlandse vertaling is verschenen.

’Naar de honden’ speelt zich, zoals veel van het oeuvre van Helle, af in een soort tussenruimte of tussentijd. De ik-verteller is zelf schrijfster van beroep, maar haar achtergrond en drijfveren worden mondjesmaat en heel terloops, als kleine puzzelstukjes, aan de lezer verteld die zodoende, stap voor stap, het verhaal wordt ingelokt, maar nooit écht alles te weten komt. De stijl van Helle Helle is behavioristisch: ontdaan van alle franje wordt alles in korte zinnen, compacte dialogen en zonder omhaal weergegeven.

Bij zoveel gestileerde eenvoud zijn de eerste zinnen van een roman cruciaal om de belangstelling van de lezer te wekken en dat lukt Helle Helle wonderwel: „Ik zoek een goede plek om te huilen. Het is niet zo eenvoudig om zo’n plek te vinden. Ik heb urenlang met de bus rondgereden en nu zit ik op een krakkemikkig bankje helemaal aan de kust. Er zijn hier geen veerboten, alleen een praam die vee van en naar een onbewoond eiland brengt.”

Wie is deze vrouw écht? Wat doet ze daar? Waarom zoekt ze een plek om te huilen? Gaandeweg het boek vallen de meeste puzzelstukjes op hun plaats, maar er zijn ook evenzoveel nieuwe raadsels bijgekomen. Langzamerhand wordt duidelijk dat de vertelster, die zich Bente laat noemen, is vastgelopen in haar werk en huwelijk met een dermatoloog. Ze heeft de bus genomen en is uitgestapt bij een willekeurige bushalte in de middle of nowhere. Maar omdat er die dag verder geen bussen meer gaan, wordt ze tijdelijk opgevangen door het echtpaar John en Putte, dat zich om haar bekommert.

Door een aanhoudend noodweer kan Bente de eerste dagen niet vertrekken en zo verandert ze razendsnel van een ‘vreemdeling’ in een onmisbaar onderdeel in een sociaal netwerk van plattelandbewoners die ergens ver weg in een winderige en modderige uithoek in de ontvolkte provincie, met veel pijn en moeite het hoofd boven water proberen te houden. Bente duikt onder in deze afgelegen miniatuurwereld, waarin de meeste mensen leven van een uitkering, hopen op een prijs in de toto en verder wat losse klusjes doen – zoals het voederen van een paar jachthonden.

John en Putte leven beiden van een uitkering en als John plotseling naar het ziekenhuis moet, neemt Bente als vanzelfsprekend een deel van hun taken over. Ze doet boodschappen, neemt de telefoon aan en regelt kleine zaakjes zoals het voederen van de honden. Haar wereld schrompelt enerzijds ineen, maar anderzijds krijgt ze onverwacht een rol van betekenis in het leven van anderen. De lezer kijkt over haar schouders mee en wordt af en toe zelfs een inkijkje in haar achtergrond en motieven gegund. Een inkijkje, niet meer dan dat.

Bente neemt ongemerkt, als een goede undercoveragent, een plek in het leven van alledag van deze eenvoudige mensen in. Het komt zelfs tot iets dat op een relatie lijkt met Ibber, de broer van Putte. Uiteindelijk is het de eigenaar van de jachthonden de oom van John, die Bente waarschuwt dat ze moet uitkijken zich niet te veel te binden aan deze nogal kwetsbare mensen. Hij houdt haar voor: „Je bent bij mensen van vlees en bloed, ook al denk je misschien van niet”.

In deze ene zin is de hele problematiek van deze roman samengebald. Want het werk van Helle Helle is geen sociaal-realistische verheerlijking van de onderklasse, noch een tragikomische satire. Er is eerder sprake van oprechte fascinatie voor het gedrag van mensen voor wie taal niet de eerste levensbehoefte is en voor wie Helle Helle manieren zoekt om ze op een solidaire manier literair te verbeelden. Daarbij laat ze veel aan de fantasie van de lezer over. Ze schrijft suggestief, zonder te expliciteren en net als in haar novellen lijkt de verteller in ’Naar de honden’, nog het meest op een antropoloog die veldwerk doet: ze observeert en beschrijft Putte, John, Ibber en de anderen, alsof ze leden van een vreemde stam zijn (en daar helpen de merkwaardige namen ook bij). Helle Helle registreert dit alles in haar bekende pronkloze taal, waarmee ze de lezer ongemerkt in een labyrint van verzwijging, insinuatie en suggestie lokt.

Het oeuvre van Helle Helle doet zowel qua thematiek als qua taal denken aan het proza van Raymond Carver en andere realisten en wat de opbouw betreft heeft ze veel geleerd van Alfred Hitchcock; inclusief het dreigende gekras van kraaien op de achtergrond. Helle Helle bestudeert haar personages als ’mensen van vlees en bloed’ maar ze zet ze nooit te kijk.Henk van der Liet

Lees verder na de advertentie
(Trouw)

Deel dit artikel