Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Ik ben geen isme, ik ben Kees van Dongen

Cultuur

Henny de Lange

Kees van Dongen, tekenaar uit Delfshaven, groeide begin vorige eeuw uit tot wereldberoemd schilder, in een adem genoemd met Picasso en Matisse. De tentoonstelling ’De grote ogen van Kees van Dongen’, vanaf zaterdag te zien in Rotterdam, neemt bezoekers mee naar zijn hoogtijdagen. „Ik wilde het geheim van zijn roem ontrafelen.”

Het gevoel alsof je het atelier in Parijs binnen stapt, waar de kunstenaar Kees van Dongen in de jaren twintig van de vorige eeuw woonde en werkte, toen hij op het toppunt van zijn roem was. Dát wil museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam je meteen bij de entree van de tentoonstelling over deze kunstenaar laten ervaren. Het paleisachtige atelier aan de Rue Juliette-Lamber werd wereldberoemd door de uitbundige feesten die Kees van Dongen organiseerde. Ze werden bezocht door filmsterren, modellen, bekende politici en kunstenaars. En alle vrouwen deden op die glamourfeesten hun best om er uit te zien als de ’Van Dongens’ die daar aan de muren hingen. Met kolossale foto’s van het atelier en grote panelen, beschilderd met Van Dongen’s favoriete kleuren, heeft Boijmans’ vaste ontwerpbureau Thonik de witte museummuren weggewerkt. Op de panelen hangen de kleurrijke societyportretten, waarmee hij zo beroemd is geworden. Om niet te verdrinken in al dit kleurengeweld, zijn hier en daar grijze bufferwanden geplaatst. En mocht het toch gaan duizelen, dan kun je bijkomen op de fluweelzachte banken die er staan, net als in het Parijse atelier.

Bewust is er voor gekozen om het verhaal over de Rotterdamse kunstenaar Kees van Dongen (1877-1968) achterstevoren te vertellen. „We beginnen op het toppunt van zijn roem en gaan vervolgens terug naar zijn Rotterdamse wortels”, licht gastconservator en Van Dongen-deskundige Anita Hopmans toe. „Zo willen we duidelijk maken hoe een onbekende tekenaar uit Delfshaven kon uitgroeien tot een schilder van wereldfaam, die in één adem wordt genoemd met Picasso, Matisse en Derain.”

Zelf hield Van Dongen maar al te graag de mythe in stand van de krantenjongen die het tot miljonair had geschopt, dankzij zijn talent. Hij had slechts het penseel op te hoeven pakken en door te zetten. Hopmans heeft nooit kunnen geloven dat die metamorfose alleen het gevolg van talent en toeval is geweest. „Al jaren wilde ik het geheim van zijn weg naar de roem ontrafelen.”

Hopmans’ fascinatie voor Kees van Dongen ontstond toen ze in 1996 een tentoonstelling maakte, eveneens voor Boijmans, over diens vroege werk. Op deze expositie, met de titel ’De onbekende Van Dongen’, die ook te zien was in Parijs en Lyon, werden zijn vroege tekeningen getoond die hij maakte in Rotterdam en Parijs. De periode na 1903, toen Van Dongen zich definitief toelegde op het schilderen, kwam niet aan bod. Hopmans: „Destijds associeerde iedereen Van Dongen nog met societyportretten en het fauvisme. Het was ook voor mij een eyeopener dat daar nog een periode aan vooraf was gegaan. Maar ik realiseerde me toen al dat er een vervolg moest komen, omdat ik maar een klein stukje van zijn leven had onderzocht.”

Twee jaar deed Hopmans onderzoek naar Van Dongen, die zelf geen archief heeft nagelaten. Ze las talloze kunstkritieken en brieven en speurde in archieven van kunsthandels. Ook bezocht ze zijn ateliers in Parijs, waarvan enkele nog deels intact zijn. Haar conclusie is dat Van Dongen ten onrechte in Frankrijk (hij werd in 1929 Frans staatsburger) vooral wordt gezien als fauvist. Daarmee doe je hem tekort, meent ze. Het fauvisme, de eerste avant-gardestroming van de twintigste eeuw, die gekenmerkt wordt door het gebruik van felle, nauwelijks gemengde kleuren, duurde maar kort, van 1903 tot 1907.

Van Dongen’s definitieve doorbraak als schilder kwam pas een paar jaar later, ontdekte Hopmans. Weliswaar had hij in 1904 al een solotentoonstelling gehad bij de Parijse galerie Vollard, maar in 1908 en 1909 kreeg hij grote exposities in dé twee toonaangevende avant-gardegalerieën van Parijs. Zijn werk hing daar naast dat van Picasso, Braque en Derain, wat volgens Hopmans bewijst dat de top van de Parijse kunsthandel de kwaliteit van zijn werk had herkend. Galerie Kahnweiler kocht in de periode 1907-1913 zo’n 150 werken van Van Dongen, ongeveer zijn halve jaarproductie.

Hopmans’s onderzoek resulteerde in een boeiend boek, waarin ze tot in detail zijn leven heeft proberen te reconstrueren.

Van Dongen werd geboren in Rotterdam, waar zijn vader een mouterij had aan de Voorhaven in Delfshaven. Na een opleiding tot technisch tekenaar volgde hij avondlessen aan de Rotterdamse Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen, omdat hij kunstenaar wilde worden. Gegrepen door de ideeën van de sociaal-anarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis vertrok hij in 1897 naar Parijs, in zijn ogen de plek voor revolutionaire geesten. Hij ging niet op de bonnefooi, zoals hij zelf later voorgaf, maar goed voorbereid. Ook de door hem zorgvuldig in stand gehouden mythe dat hij daar niemand kende en verloren rondliep, klopt niet. Hij had introductiebrieven op zak, vond meteen onderdak bij de Nederlandse schilder Siebe ten Cate en legde contact met de Parijse correspondent voor Nederlandse kranten als Het Vaderland en Het Nieuws van de Dag, die hem verder op weg hielp met introducties bij galerieën.

Het jaar erop ging hij terug naar Rotterdam, waar hij zich oefende om in een paar snelle lijnen een beweging of sfeer vast te leggen. Hij ging daarvoor graag naar de Zandstraatbuurt met bordelen, kroegen, danslokalen en eetkramen. Hij was toen al gefascineerd door de prostituee en danseres als onderwerp voor zijn snelle schetsen. En, niet onbelangrijk, dit onderwerp paste ook bij het imago van bohémien dat hij wilde uitstralen. Van Dongen zag deze periode als een grondige voorbereiding op zijn definitieve verhuizing naar Parijs. Najaar 1899 vertrok hij met zijn vriendin Guus Preitinger, met wie hij in 1901 trouwde en die tot hun scheiding in 1919 zijn muze zou zijn.

Die eerste periode, toen hij vooral tekende, lijkt van ondergeschikt belang, als je de rest van zijn loopbaan overziet. Maar het is opvallend hoe gericht Van Dongen toen al bezig was de piketpaaltjes te slaan langs de weg die hem moest leiden naar internationale roem. Hij bouwde aan een netwerk, schaafde aan zijn tekentechniek en zocht zorgvuldig zijn (voor die tijd gedurfde) onderwerpen uit, die pasten bij het imago van geëngageerd en vrijgevochten kunstenaarsgenie.

Was dat de sleutel tot zijn succes? Of was het toch uitsluitend zijn talent, zoals hij zelf wilde doen geloven? Op basis van het boek van Hopmans, waarin ze beschrijft hoe hij zich wist te omringen met de juiste mensen en de aandacht te trekken, was het niet met schandalen dan wel met zijn atelierfeesten, ben je geneigd hem toch vooral als een handige netwerker en strateeg te zien. Een man die vooral gericht was op eigen roem en daarom ook van geen enkele groep of school lid was.

Maar dat oordeel kantelt meteen als je vervolgens zijn schilderijen gaat bekijken: al die kleurenexplosies, de schilderkundige kracht die ze uitstralen, de rake impressies van reizen naar Marokko en Egypte, de gewaagde composities en de verleidelijke vrouwenportretten, naakt en met oriëntaalse invloeden. Vrouwen, vaak afgebeeld met grote ogen, donker omrand, en met een klein hoofd op een lange hals, geschilderd als het ’schoonste landschap’, waarin de sensuele beweging van hun lichamen met een paar simpele verfstreken wordt overgebracht.

En als je je dan vervolgens realiseert dat Van Dongen honderd jaar geleden met dit expressieve en tegendraadse werk aankwam, snap je meteen dat hij de aandacht wist te trekken. Hij mocht dan op het toppunt van zijn roem net zo’n societyfiguur en ster zijn als de vrouwen op zijn portretten en de nouveaux riches die zijn werk kochten, het heeft hem nooit verleid tot gemakzucht of kunstjes.

Integendeel, op het moment dat de avant-garde zich bekeerde tot het kubisme, nadat Picasso in 1907 de kunstwereld op z’n kop had gezet met het schilderij ’Les Demoiselles d’Avignon’, verwijderde Kees van Dongen zich van de voorhoede en koos zijn eigen weg. „Ik ben geen isme, ik ben de schilder Kees van Dongen”, zei hij, wellicht vanuit de gedachte dat hij als eenling meer zou opvallen dan als lid van een groep.

Het was gemakkelijker geweest om zich aan te sluiten bij de rest. Dat deed Van Dongen niet, hij ging een reis maken naar Nederland, waar hij een half jaar zou blijven en een paar meesterwerken schilderde, die een jaar later tot zijn definitieve doorbraak zouden leiden: ’Liverpool Light House’, ’Modjesko’ (de sopraanzangeres), ’La Penseuse’ en ’Ma gosse et sa mère’.

Hopmans heeft voor de werken uit deze baanbrekende Rotterdamse periode terecht een aparte zaal ingeruimd op de expositie. Waar de kubisten zich bezighielden met de verkenning van de ruimte op het vlak, wist Van Dongen zich te onderscheiden met het schilderkunstige, het kleurgebruik, de expressie en de gedurfde onderwerpen.

Van Dongen bleef reizen, naar Spanje en Marokko, in 1913 ook naar Egypte, waar hij – heel gewaagd voor die tijd – een vrouw in boerka schilderde. Het tekent ook zijn eigenzinnigheid, omdat iedereen hem altijd associeerde met naakten. De veel minder bekende schilderijen die naar aanleiding van deze reizen ontstonden en nu worden getoond, mogen ook tot de hoogtepunten in zijn oeuvre worden gerekend.

Na de glorieuze jaren twintig brak de crisis uit, ook voor Van Dongen persoonlijk. De relatie met zijn vriendin, het Parijse model Jasmy, liep stuk, het atelier in de Rue Juliette-Lamber werd verkocht. Toch duurde zijn succes nog voort, al was hij gedwongen om door de economische crisis nieuwe markten aan te boren.

Hoewel Piet Mondriaan in 1938 nog wees op zijn belang als een ’ernstig’ schilder, begon rond die tijd zijn roem te verbleken. De ’Afgod van Parijs’, zoals een krant kopte in 1929, kon zich niet meer vernieuwen.

Deel dit artikel