Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Hoog tijd voor een Engelsman!

Cultuur

Sandra Kooke

Review

Het Concertgebouw noemt de ingelijste namen van componisten aan zaalwand en balkon 'De eregalerij'. In de Amsterdamse Stadsschouwburg heet de hoef ijzervormig gerangschikte parade van toneelschrijvers, acteurs of schouwburgdirecteur 'Het eerste balcon'.

Deze zomer morrelt Trouw aan de muzikale en theatrale beroemdheden, die hun bestaan daar zo gebeiteld en omlijst verzekerd weten. Zijn hun wapenfeiten wel zo vanzelfsprekend? Moet er geen naam wijken voor een levende componist, dirigent, acteur, regisseur of toneelschrijver? Of moet juist een grootse dode alsnog van plaats wisselen met een nóg dodere grootsheid? En waartoe dan wel? Vandaag: Wanning wijkt voor Purcell.

De rij boven het frontbalkon van de grote zaal van het Amsterdamse Concertgebouw is voor de oude Nederlandse meesters. In het midden hangt natuurlijk Jan Pieterszoon Sweelinck, de grondlegger van de Noord-Europese orgelcultuur. Aan weerszijden van hem Orlando Lassus en Jacob Obrecht en verder naar de zijkant de mindere goden. In het linkerhoekje hangt de naam van ene Wanning.

Ik geef het maar eerlijk toe: ik had nog nooit van de goede man gehoord voor mijn oog op dit cartouche viel. En het is nog niet zo gemakkelijk om iets over deze Johannes Wanning te weten te komen. Volgens de New Grove Dictionary werd hij geboren in 1537 in Kampen, sleet hij het grootste deel van zijn leven in Duitsland (tegenwoordig Pools grondgebied) en stierf hij in Dantzig (Gdansk) in 1603. Hoe hij in Polen terechtkwam, is onbekend, maar in 1560 werd hij al in Königsberg gesignaleerd, waar hij studeerde en tot 1567 als mannelijke alt zong in de hertogelijke kapel. Hij begon daar ook muziek te schrijven voor de kapel. In 1569 stapte hij over naar de Mariënkirche te Dantzig, waar hij tot 1599 Kapellmeister bleef en naam maakte als protestant componist van motetten op Latijnse teksten.

Hoe komt zo'n onbekende Duitser van Nederlandse afkomst in de eregalerij? Na enig speurwerk kwam een boekje uit 1878 boven water, uitgegeven door de Vereeniging voor Noord-Nederland's Muziekgeschiedenis. Daarin stonden vier 'Sententiae' van Wanning uit 1584. In het voorwoord valt te lezen hoe vele composities van Wanning enkele jaren daarvoor door de 'hoogstverdienstelijken correspondent' van de Vereeniging, Robert Eitner, uit de stadsarchieven van Dantzig waren opgedoken. Tot die tijd was de muziek van Wanning onbekend. Eitner kenschetst Wanning als een echte noordelijke natuur met de bijbehorende ernst. Zijn muziek zit desondanks vol verrassende wendingen en spannende harmonieën. Volgens de secretaris van de vereniging, W.F. Loman, zijn de vier werken van de Kampenaar 'meesterstukken, die aan Wanning eene ereplaats aanwijzen in de rij der Nederlandsche kunstenaars van de 16e eeuw'.

De muziek van Wanning beleefde kennelijk rond 1878, vlak voor de bouw van het Amsterdamse Concertgebouw, een revival. Met dank aan de Vereeniging van Noord-Nederland's Muziekgeschiedenis. Die ereplaats heeft Wanning dus echt gekregen, in een hoekje van de Grote Zaal. Bovendien kreeg Amsterdam een Wanningstraat, die vlak achter het Concertgebouw is te vinden.

Maar ja. Wat heeft de lobby van de Vereeniging uiteindelijk teweeggebracht? Het beknopte oeuvre van Wanning is nu wel in druk verschenen, maar wordt nooit gespeeld; niet binnen het Concertgebouw en waarschijnlijk ook niet daarbuiten. Raus, und schnell dus met Wanning. Met een straat is hij al genoeg geëerd.

En wie moet er dan in? Ik kies voor Henry Purcell, de 'Orpheus Britannicus', die een eeuw na Wanning leefde. Net als Wanning begon hij zijn loopbaan in de muziek als zanger, waarna hij op componeren overstapte. Net als bij Wanning is er weinig over zijn leven bekend. Er is bijvoorbeeld lang door musicologen en historici gesteggeld over de vraag wie zijn echte vader was, zijn vader of zijn oom. Zijn vader dus. Geboren in 1659 had Henry Purcell al snel een centrale positie in het Engelse muziekleven. Hij was organist van de Westminster Abbey, schreef voor koninklijke opdrachtgevers (Karel II, Jacobus II en William en Mary), de kerk en theater en componeerde daarnaast nog instrumentale muziek en talloze liederen. Een deel van die liederen was niet bedoeld voor serieus gebruik, maar gewoon voor in de kroeg. Want Purcell was een frequent taveernebezoeker en kwam vaak diep in de nacht van zijn bacchanalen thuis. Volgens de overlevering is dat hem op zijn 37ste fataal geworden, want zijn vrouw Frances had er op een nacht zo genoeg van, dat ze de deur op slot had gedaan. Volgens dit verhaal is Purcell bezweken aan de kou die hij toen opliep. Latere chroniqueurs hebben het voor de arme vrouw opgenomen en dit verhaal naar het rijk der fabelen verwezen. Purcell zou al zwakjes zijn geweest, misschien wel tuberculose hebben gehad.

Hoe het ook zij, Purcell liet een imposante hoeveelheid werken achter, die echter niet erg vaak in het Concertgebouw te horen zijn. Alleen als Engelsen als Emma Kirkby of Michael Chance de Noordzee oversteken, maken wij kans op een van de honderden liederen van Purcell. Zijn beroemdste werk, de opera 'Dido and Aeneas', is te kort voor een reguliere operaproductie. Het wordt wel regelmatig op alternatieve locaties opgevoerd, maar daar kunnen we het Concertgebouw niet toe rekenen.

Toch verdient hij volgens mij een ereplaats in de Amsterdamse tempel van de muziek, en wel hierom: Purcell is voor mij de componist die het beste óver muziek heeft geschreven. Ik doel op een tamelijk simpel liedje uit zijn semi-opera 'Dioclesian'. Het kan door een kind worden gezongen en waarschijnlijk hebben vele Nederlanders het net als ik op muziekles geleerd. 'Music for a while shall all your cares beguile'. Muziek zal voor korte tijd al je zorgen verdrijven. En dat is precies wat Purcell doet met dit lied dat tegelijkertijd melancholiek en troostend is.

De langzame, steeds herhaalde baslijn is Purcells belangrijkste troef. Daardoor ontstaat een weldadige rust, waardoor de luisteraar zich openstelt voor de muziek. Daarboven meandert een prachtige melodie, die de tekst belicht. Lange notenslingers bij het woord eternal (eeuwig), een langzame dalende lijn bij het woord eas'd (tot rust komen) en noten als kleine spettertjes bij 'drop, drop, drop, drop' (vallen).

Het is hoog tijd dat een Engelsman zich voegt bij het voornamelijk Duitse en Franse gezelschap componisten in het Concertgebouw. Daar offer ik graag een onbekende Kampenaar voor op. Welcome, Mr. Purcell!

Music, music for a while

Shall all your cares beguile

Wond'ring how your pains were eas'd

And disdaining to be pleas'd

Till Alecto free the dead from their eternal bands

Till the snakes drop from her head

And the whip from out her hands

Music, music for a while

shall all your cares beguile

Deel dit artikel