Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Hoe zat het ook alweer met die samengestelde zinnen?

Cultuur

Peter-Arno Coppen

© anp
Taal

U staat er vast niet elke dag bij stil, maar u kunt bijna geen gesprek voeren zonder samengestelde zinnen. 

In de vorige zin was daar al sprake van. Ik knoopte twee zinnen aan elkaar met het woordje 'maar', dat een tegenstellend verband creëert. En in de afgelopen zin deed ik iets soortgelijks met 'dat', waarmee ik in een bijzin duidelijk maakte wat 'maar' doet. Enzovoorts.

Lees verder na de advertentie

De samenstelling met 'maar' heet een nevenschikkend verband, en bij 'dat' is sprake van onderschikking.

Wat is het verschil? Bij nevenschikking worden twee op zichzelf staande zinnen (die ook los zouden kunnen voorkomen) in een bepaald logisch verband gezet. Bij onderschikking is er sprake van een zin die een bepaalde betekenisrol binnen de andere zin vervult. Soms wordt die rol door een voegwoord aangegeven: bij 'De planten staan droog doordat het niet regent' is de zin 'het regent niet' ondergeschikt als een oorzaak binnen de bewering dat de planten droog staan. Onderschikking gaat vaak gepaard met de bijzinsvolgorde (alle werkwoorden in een groepje bij elkaar). De hoofdzin heeft dan hoofdzinsvolgorde (persoonsvorm gescheiden van eventuele andere werkwoorden, die in een groepje bij elkaar staan).

De onderschikking met 'dat' in de derde zin hierboven is nog wel bijzonder: de bijzin heeft de functie van een bijvoeglijke bepaling bij 'het woordje maar'. Dat is zodanig dat het een tegenstellend verband creëert. Het bijzondere is dat 'dat' tegelijkertijd de functie van een voegwoord en een voornaamwoord vervult. Dat is het betrekkelijk voornaamwoord, dat ik binnenkort zal bespreken.

Grammaticale geschillen, etymologische enigma's en andere taaltwijfels, voor u opgehelderd door Peter-Arno Coppen en Ton den Boon. Lees al hun bijdragen in ons dossier.

Deel dit artikel