Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Hoe linkse christenen de DDR omhelsden

Cultuur

CRIJNEN en TON

Review

UTRECHT - Vijftien jaar later terugkijkend op augustus 1968, toen Sovjettanks Alexander Dubceks socialisme met een menselijk gezicht platwalsten, zei Bé Ruys, als predikante in West- én Oost-Berlijn actief: “Natuurlijk, niemand vindt het leuk wat er gebeurt. Het gaat er niet om of je iemand moreel negatief waardeert, het gaat er niet om op grond van ethische waarden politieke keuzes te maken, het gaat er om machtsverhoudingen te analyseren en op grond daarvan partij te kiezen.” En dus koos Ruys voor Moskou, én voor de DDR waar partij-en staatschef Walter Ulbricht een hoofdrol had gespeeld bij het voorspel tot de inval.

Dit agitprop-achtige citaat staat in de gedetailleerde en mede daardoor zo boeiende dissertatie Nederland en de DDR die deze week is uitgekomen. Hierin analyseert de Utrechtse historicus Jacco Pekelder de relaties tussen ons land en de Oost-Duitse 'arbeiders- en boerenstaat', vanaf 1949 tot 1991.

Men hoeft bepaald geen Frits Bolkestein te heten om bij lezing van dit boek met een mengeling van fascinatie en verbijstering kennis - of, in mijn geval van ancïenniteit, hernieuwd kennis - te nemen van de naïeve eenzijdigheid waarmee een spraakmakend deel van links Nederland zo'n kwart eeuw tegen het DDR-regime aankeek. Daarbij alles voor zoete koek slikkend wat de Stasi, Oost-Duitslands geheime dienst, hun te consumeren voorhield. Tót en met de leugen dat het West-Duitse staatshoofd Heinrich Lübke onder Hitler concentratiekampen had gebouwd. Overigens ging maar een enkeling binnen links Nederland zover als dominee Ruys, die informeel medewerkster van de Stasi werd.

In dit gezelschap van selectief verontwaardigden - wat het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime zeer terecht werd verweten, schending van mensenrechten, nam men de DDR nauwelijks kwalijk - liepen linkse christenen zeker niet achteraan. Organisaties als de Nederlandse Christen-Studenten Vereniging (NCSV), Christenen voor het Socialisme, een deel van de Nederlandse afdelingen van respectievelijk de Berliner Konferenz (rk) en de Christliche Friedenskonferenz (protestants), en, in wat mindere mate, de Werkgroep Oost-Europa Projekten zagen de DDR als het betere alternatief voor de eigen samenleving en staken deze visie bepaald niet onder stoelen of banken.

Wie het waagde dit linkse (minderheids)standpunt ter discussie te stellen werd prompt in de rechtse, Koude-Oorlogshoek gedrukt. En die sfeer heerst er nog steeds. Dat ondervond kritisch onderzoeker Jacco Pekelder (32): “Er is wel gecheckt of ik uit een rechts milieu kwam.” Waarom waren in links-christelijke kring sommigen geneigd de DDR te zien als een socialistische modelstaat, in veel opzichten een voorbeeld voor het westen?

Pekelder: “Dat valt alleen te verklaren uit de geest van die tijd: tweede helft jaren zestig, eerste helft jaren zeventig. Het was de periode van de antikapitalistische protestbeweging in de Verenigde Staten en West-Europa.

Tegen deze achtergrond oordeelde menigeen ter linkerzijde opvallend mild over de DDR en de rest van het Oostblok. Oké, dacht men, daar is het ook nog geen hemel op aarde, maar men lijkt er wel een stap dichter bij dan in een kapitalistische maatschappij als de Nederlandse waar nog geen radicale omwenteling van de bezitsverhoudingen heeft plaatsvonden. Men liet zich in de luren leggen door alle vredesslogans uit het oosten en door de daar gecreëerde mythe als zou de DDR een anti-fascistische staat zijn.

Voeg daarbij - en dat geldt met name voor heel wat linkse christenen - een grote fascinatie voor de dialoog met het marxisme (in de DDR sprak men over Kirche im Sozialismus) en je hebt een tamelijk compleet antwoord op uw vraag. Zeker als je ook de anti-westerse opstelling van de Wereldraad van kerken, gevoed door de Russische orthodoxie en de toestroom van derde wereldkerken, in ogenschouw neemt.'

Pekelder noemt het kenmerkend en “nogal uniek” dat de Nederlands-Oostduitse relaties zich jarenlang bijna uitsluitend op kerkelijk vlak afspeelden. “Als je het formele, partijpolitieke contact tussen CPN en SED buiten beschouwing laat, bestonden er naast kerkelijke alleen economische betrekkingen. Het duurde tot midden jaren '60 voordat partijen als PSP en PvdA naar de DDR togen.”

“De christelijke politici hebben tot het laatst toe elk contact met de DDR gemeden. Mensen als Blaisse (KVP) en Bruins Slot (ARP) bleven roependen in de woestijn. Echte diplomatieke contacten kwamen pas op gang, toen Den Haag eind '72 besloot de DDR ook de jure te gaan erkennen.”

Vandaar dat Pekelder in zijn studie, behalve bij de politieke, economische, staatkundige en media-aspecten van de zaak, uitgebreid stilstaat bij de kerkelijke relaties, lees: voornamelijk de protestantse.

Pekelder: “De kleine rooms-katholieke kerk in de DDR trok zich van het begin af aan sterk terug op het eigen erf. Binnen die overlevingsstrategie zag de kerkleiding weinig ruimte voor banden met zuster-episcopaten in het westen, anders dan via de Vaticaanse 'commandocentrale'.

Wat de protestantse kerken in Nederland en Oost-Duitsland betreft waren er ook meer overeenkomsten. Beide zaten ze in 1949 - en wat ons land betreft ook nog lang daarna - dicht tegen de politiek en de respectieve overheden aan, zonder, zoals in Scandinavië, staatskerk te zijn.'

De protestantse betrekkingen tussen Nederland en de DDR liepen tot 1961 voornamelijk via twee vrouwen: de reeds genoemde Bé Ruys, predikante van de Nederlandse gemeente in West- (na '61 ook Oost-) Berlijn, en Hebe Kohlbrugge, hoofd van de sectie internationale hulpverlening van de Nederlandse Hervormde kerk (werelddiakonaat). De hervormde en gereformeerde kerk vonden het, gezien de aard van het DDR-regime, maar beter de contacten langs deze informele, soms wat illegale lijnen te laten lopen. Waar nog bij komt dat men het onderhouden van relaties met de zusterkerk in de DDR primair als een zaak van de West-Duitse EKD zag.

Kohlbrugge en Ruys, volgens Pekelder allebei gedreven en moedige vrouwen, hebben tussen 1949 en '61 veel goed werk gedaan. Ontwortelde Oost-Duitsers de juridische weg naar het westen wijzen en christenen aan godsdienstige lectuur helpen behoorden tot twee van vele activiteiten, die ook het organiseren van 'dialoogreizen' vanuit het westen naar evangelische gemeenten in Oost-Duitsland omvatten.

Toen Kohlbrugge na de bouw van De Muur (augustus 1961) de DDR niet meer in kwam, was Ruys de enige die soms nog wel eens wat gedaan kon krijgen van de DDR-autoriteiten.

Toch ging bij haar, zo laat Pekelder overtuigend zien, de solidariteit met de onderdrukte zusters en broeders na de bouw van de Muur langzaam maar zeker over in een zich steeds meer identificeren met het communisme en met het DDR-regime. Het kostte haar veel krediet in kritische kringen binnen de Oost-Duitse kerk.

Pekelder: “Ruys en de meeste medewerkers van het Hendrik Kraemerhuis - het centrum van de Nederlands-oecumenische gemeente in West-Berlijn, cr. - werden sterk beïnvloed door de linkse buitenparlementaire studentenoppositie in de Bondsrepubliek. Deze verzette zich tegen het in haar ogen 'autoritair, neo-fascistisch establishment' in het westen.

Dat maakte diepe indruk op al die jonge vicarissen en NCSV-ers uit Nederland die de idealistische predikante kwamen helpen. Van de weeromstuit kozen ze kritiekloos partij voor Moskou. In de naiëve, van utopistisch denken doordrenkte, veronderstelling dat ze zo meehielpen de wereldvrede te redden. In hun visie en die van Ruys kon er pas sprake zijn van echte ontspannings indien de Sovjet-Unie op hetzelfde machtsniveau als het westen zou staan.

Omgekeerd beschouwde het DDR-regime Bé Ruys en haar geestverwanten als nuttige trait d'unions met de linkse christenen in het westen. Daar was steun te halen voor het zorgvuldig door de Stasi georkestreerde vredesoffensief. De fellow-travellers rond het Hendrik Kraemerhuis hadden niet in de gaten dat ze op die manier hun christelijk-sociale idealen op groteske manier verloochenden.'

“Ruys c.s. bleken na '61 veel slechtere pleitbezorgers van de belangen van de mensen in de DDR en de rest van Oost-Europa dan Kohlbrugge en haar collega's van het Nederlands werelddiakonaat. Die hielden vast aan hun afwijzing van het communisme, omdat dat in de praktijk bleek te leiden tot inhumane dwangsystemen à la de DDR. Door de regimes niet naar de mond te praten, maar juist onder kritiek te stellen hebben ze de dissidenten in Oost-Europa beter begrepen en flinker gesteund dan de 'kritisch-christen en socialist' (haar kwalificatie) Bé Ruys. In 1969 verbrak Kohlbrugge alle contacten toen Ruys - als een van de weinigen uit het westen - lid bleef van de Christliche Friedenskonferenz, nadat deze geheel in rood vaarwater was geraakt.”

Kohlbrugge's kritische opstelling tegenover Oost-Europa werd haar niet door iedereen in dank afgenomen. Getuige het feit dat de leiding van de Nederlandse Hervormde Kerk in 1972 het vertrouwen in haar opzegde. Reden: het beleid dat ze voerde liep niet in de pas met dat van de Wereldraad van kerken die het Oostblok met fluwelen handschoenen aanpakte.

Pekelder: “Toch bleef in de hervormde kerk de steun voor haar werk zo groot, dat ze in 1975 in een Oost-Europa-commissie van de Nederlandse raad van kerken terecht kon.

Intussen zette men in het Hendrik Kraemerhuis de dialoog met het 'reëel bestaand socialisme' voort, de ideologische horizon verbredend, richting Peking en het maoïsme.'

Binnen het protestantse milieu in Nederland was, aldus Pekelder, tot begin jaren '70 een genuanceerde kijk op de DDR zeldzaam. “Of je zag haar als een socialistisch paradijs of als één groot rood-fascistisch strafkamp waarmee een christen geen enkel formeel contact moest onderhouden.”

Des te opmerkelijker dat het dagblad Trouw, toen nog dé spreekbuis van het gereformeerde volksdeel, begin 1964 een jonge redacteur, Huib Hendrikse, naar de DDR zond om poolshoogte te nemen. Dat resulteerde in een serie van elf reportages waarin voor het eerst in een Nederlandse krant gepoogd werd een weliswaar kritisch, maar toch wat meer afgewogen en realistisch beeld van de DDR en haar bewoners te schetsen.

Pekelder: “De artikelen brachten veel beroering. Onder de lezers, maar ook daarbuiten. De reacties waren overwegend negatief. Hoofdredacteur Bruins Slot moest zich zelfs een boze Joop den Uyl van het lijf houden.

Dat ging hem des te gemakkelijker af omdat hij net een boek had voltooid over de ARP en de mondiale politiek. ('Kleine partij in grote wereld'). Hierin bepleitte hij de noodzaak van een dialoog met het communisme, een ideologie die hij volstrekt verwierp maar die in zijn ogen ontstaan was omdat christenen (en anderen) onvoldoende aandacht hadden besteed aan het sociale onrecht in de wereld.

Bruins Slot had twee jaar eerder al in de Tweede Kamer gezegd dat men de Duitse deling als feit moest accepteren. In zijn ogen was een kritische dialoog met de DDR de beste manier om de mensen daar te helpen. Geen van de andere regeringspartijen (KVP, CHU en VVD) was de ARP-voorman toen - Bruins Slot trad een jaar later af als fractieleider - bijgevallen. Het zou tot 1966 duren voordat een groep jonge ARP-ers erkenning van de DDR ging bepleiten.'

Nadat Nederland in januari 1973 de DDR had erkend kwam in de jaren daarna een ware vloedgolf van contacten op gang tussen protestantse gemeenten in Nederland en evangelische gemeenten in Oost-Duitsland (plus enkele rooms-katholieke parochies). Via bezoeken en discussies ter plekke wilde men begrip kweken voor elkaars specifieke problemen.

Ontwikkelingen als in Polen, waar eind 1981 Solidarnosc werd verboden, brachten christenen uit ons land ertoe hun verbondenheid te tonen met de geloofsgenoten in de DDR. Waarbij velen eerst het idee hadden dat de kerk er nog even sterk werd onderdrukt als in 1951/52.

De reeks gemeentecontacten die uit een en ander voortvloeide steeg van 20 in 1989 tot zo'n 400 tien jaar later. Het waren overigens altijd de Nederlanders die naar de DDR reisden, want tegenbezoeken van Oost-Duitsers bleken tot de val van de Muur (1989) niet te realiseren.

Pekelder: “De motieven van de Nederlandse deelnemers waren meestal a-politiek: het praktisch betuigen van medeleven met de vervolgde geloofsgenoten in de DDR.”

Aan het slot keert het gesprek terug naar waar het begon: verbazing over het feit dat voor de rest weldenkende en goedwillende christenen als Bé Ruys, Bas Wielinga (haar vicaris), Karl Derksen (dominicaan) en Albert Rasker (ethicus) zich zo kritiekloos opstelden tegenover een systeem dat haaks stond op hun eigen idealen.

Jacco Pekelder citeert, net als in z'n dissertatie, het boek van de Hongaars-Amerikaanse auteur Paul Hollander: Political pelgrims. Travels of western intellectuals to the Soviet Union, China and Cuba. Daarin wordt het soort ideologische omkeringsprocessen als dat van Ruys c.s. uitvoerig geanalyseerd.

Pekelder vat samen: “De ongekende welvaart en materiële gemakken waarmee het westen in de jaren '60 en '70 te maken kreeg, riepen bij linkse intellectuelen een gevoel van leegte op die haar uitweg vond in scherpe kritiek op de eigen samenleving: op het ongeremde kapitalisme van de multinationals, de om zich heengrijpende bureaucratisering, het consumptiedenken, de secularisatie.

Dit leidde tot vervreemding van de eigen samenleving. En, zo stelt Hollander, mensen die vervreemden van de eigen maatschappij neigen naar idealisering van een andere.

Mogelijk ligt hier de sleutel tot het begrijpen van wat zich in de hoofden van sommige linkse christenen aan sociaal-psychologische conflicten heeft afgespeeld.'

Deel dit artikel