Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Het onzalige duo Nero en Seneca

Cultuur

Hans Oranje

Review

De Week van de Klassieken, donderdag begonnen, biedt genoeg stof tot discussie. Zo verschenen over Nero onlangs twee boeken, die de Romeinse keizer totaal verschillend neerzetten. Wat was trouwens de rol van zijn opvoeder, de filosoof Seneca? Was hij schuldig aan Nero’s ontsporing?

Van de Hongaarse schrijver Deszö Kosztolányi (1885-1936) verschijnen de laatste jaren in rap tempo Nederlandse vertalingen, hartelijk toegejuicht door de literaire kritiek. Op het voorplat van de laatst verschenen uitgave staat trots een uitspraak die ooit in Trouw werd gedaan: „Hij inspireerde Sándor Márai, en doet zelf vaak denken aan Tsjechov”. Die laatste uitgave betreft de roman ’Nero, de bloedige dichter’(1924).

Leiddraad in Kosztolányi’s psychologisch portret van de Romeinse keizer is de opvallende fantasie dat Nero de rest van zijn korte leven (hij werd slechts dertig jaar) werd achtervolgd door de moord op zijn adoptiefbroer Britannicus, die hij al enkele maanden nadat hij tot keizer was uitgeroepen, had laten plegen.

Nero is bij Kosztolányi een uiterst gevoelige jongen die, liever dan keizer, een groot dichter wil zijn. Maar zijn dichterlijke talenten zijn pover, en de zestienjarige keizer beseft dat hij altijd de mindere van Britannicus zal zijn. Dat is de echte drijfveer tot de moord – niet de angst dat Britannicus als biologische zoon van de vorige keizer, Claudius, ooit zijn rechten op de troon te gelde zal maken. De schrijver ziet dan ook af van het schilderen van een werdegang van Nero’s principaat, van het vrij goede bestuur dat de senaat van Rome in zijn oude rechten herstelde tot de moordmachinerie die zijn laatste jaren (van 64 tot 68) beheerste.

In Kosztolányi’s roman is Nero samengebald tot de grondeloos eenzame, mislukte kunstenaar die het bloed dat aan zijn handen kleeft niet gewild heeft. Daarin speelt zijn opvoeder en belangrijkste raadsman, de filosoof Seneca, met recht een sinistere rol. Een mooi psychologisch portret!

Van een geheel andere orde is de beschouwing die de Nijmeegse oudhistoricus Anton van Hooff zojuist heeft laten verschijnen over Nero en Seneca. De ondertitel: ’De despoot en de denker’, maakt duidelijk wat Van Hooffs eindoordeel is over het rampzalige tweetal dat Rome in de jaren vijftig en zestig van de eerste eeuw is overkomen. Daarbij is Van Hooff een begenadigde docent die glashelder zijn verhaal kan vertellen. Met name over Seneca weet hij ook voor de lezer die misschien wat minder vertrouwd is met deze stoïsche filosoof, een pakkend en duidelijk beeld te schetsen. Naar mijn smaak is hij soms wat al te breedsprakig in het samenvatten van diens gedachtegoed, maar je krijgt wel een gedegen inleiding op zijn werk. En Van Hooff is een voortreffelijke leraar die zijn toehoorders weet te prikkelen met verrassende, soms helemaal niet ter zake doende, uitstapjes naar onze eigen tijd. Zo is hij een warm tegenstander van de Nederlandse monarchie, en hij kan aanstekelijk uit de hoek komen met, bijvoorbeeld, zijn sneer als hij spreekt over Seneca’s opvoederstaak van de jonge prins Nero: „Ook Leidse hoogleraren zijn maar al te verguld als ze worden aangezocht om (aankomende) leden van het koninklijk huis te vormen” , of als hij melding maakt van Beatrix’ irritatie over een boek over haar voorgeslacht, de drie koningen Willem. Zulke zijsprongetjes zijn weinig relevant voor het betoog, maar ze zijn wel de sjeu van de geboren docent.

Wel heb ik moeite met Van Hooffs eindoordeel over de twee protagonisten van Nero’s principaat. Wat Nero betreft: natuurlijk, zijn keizerschap is geëindigd in een orgie van bloedvergieten. Maar wie hebben het zover laten komen? Dat zijn Burrus, de commandant van de keizerlijke garde, en Seneca. Als Nero in 59 zijn moeder Agrippina vermoordt, schrijft Seneca een verdedigingsrede voor de keizer, en Burrus zwijgt. In het jaar 41 maakte de garde na vier jaar korte metten met keizer Caligula, en ik zie werkelijk niet in dat de twee op dat moment hetzelfde besluit niet over Nero hadden kunnen nemen. In moderne termen zouden we kunnen zeggen dat Nero leed aan een ’bipolare stoornis’ en zijn depressieve buien leidden tot dood en verderf.

In navolging van de historicus Tacitus en de hele Nero-receptie van de volgende eeuwen eert Van Hooff de dood van Seneca, hem door de keizer in 65 bevolen, als het grootse afscheid van ’de denker’, en spreekt in minachtende termen over Nero’s einde, zelfs zozeer dat hij Nero’s laatste woorden, gesproken in het Grieks, kenmerkt als die van een snob. Vraagje: was Willem van Oranje ook een snob toen hij zijn laatste woorden: „Mon Dieu, aye pitié de moi en de ton pauvre peuple” in het Frans uitsprak?

Nee, Seneca heeft ondanks zijn heldhaftige dood jammerlijk gefaald als adviseur van de keizer. En Nero, met al zijn charme en charisma, had tijdig koning van Egypte moeten worden gemaakt of zo, maar wel onder strenge begeleiding.

Deel dit artikel