Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Haat, nijd en wapens

Cultuur

Martijn Eickhoff

Review

Het is slecht gesteld met het 'archief' in de Nederlandse bodem: de afgelopen vijftig jaar ging Nederland ingrijpend op de schop. Het gevolg: ruim een derde van de archeologische vindplaatsen is definitief vernietigd.

Het gaat sluipend. Het merendeel van de vindplaatsen is onzichtbaar. De hunebedden, grafheuvels en terpen zijn feitelijk niet meer dan een topje van de 'archeologische' ijsberg.

Om de teloorgang van de ondergrondse prehistorische overblijfselen te stoppen, reorganiseert de overheid het archeologiebestel op het ogenblik ingrijpend. Aan bouwprojecten, die mogelijk ten koste gaan van archeologisch erfgoed, gaat tegenwoordig altijd archeologisch onderzoek vooraf. De kosten ervan zijn voor rekening van de 'veroorzaker' van de bodemverstoring, meestal projectontwikkelaars en gemeenten.

Deze regeling heeft een ware archeologische 'markt' geschapen: opgravingsbedrijven voeren een harde concurrentiestrijd om onderzoeksopdrachten binnen te halen. Niet alle vakarcheologen zijn hier onverdeeld gelukkig mee, bang dat hun commerciële collega's bezuinigen op de kwaliteit van het onderzoek.

Op zichzelf is hevige concurrentie niets nieuws in de Nederlandse archeologie. De strijd wie wel (en wie niet!) mag meedoen, is vrijwel even oud als het vak zelf. Dat leert het boek 'Grondwerk -200 jaar archeologie in Nederland' van de wetenschapsjournalist Theo Toebosch. Dit boek bevat een verhelderend stuk over het huidige archeologiebestel, en twaalf zeer rake biografische schetsen van de belangrijkste Nederlandse archeologen van de afgelopen tweehonderd jaar.

Door zich te concentreren op de alledaagse archeologische praktijk laat de auteur keer op keer zien dat archeologen niets menselijks vreemd is. Zo komen we bijvoorbeeld te weten hoe het in 1974 kwam tot een handgemeen tussen concurrerende archeologen in een opgravingsput in Nijmegen. Het zal eigenlijk niemand verbazen: persoonlijke ambitie, onderlinge concurrentie en wederzijds wantrouwen.

De strijd om erkenning en een plekje in de wereld van de archeologie wordt ook belicht in 'Scherpe stenen op mijn pad', de autobiografie van H.T. Waterbolk. Deze Groninger prehistoricus blikt in zijn boek terug op een rijk wetenschappelijk leven.

Waterbolk gaat uitgebreid in op het onderzoek naar de Oude Steentijd in Nederland. Dit onderzoek groeide in zijn tijd uit van een liefhebberij van enkelingen tot een volwaardig specialisme, maar dat ging verre van soepel. Amateurs en vakarcheologen stonden vaak lijnrecht tegenover elkaar. De amateurs werd een beperkte regionale blik verweten, de vakarcheologen zouden zich te veel opsluiten in hun universitaire ivoren torens.

Een vervalsingszaak zette de verhoudingen in 1975 op scherp. Dat jaar werd duidelijk dat de beroemde, door de Drentse amateur Tjerk Vermaning bij Hoogersmilde gevonden, stenen werktuigen vals waren. Waterbolk, en met hem de Rijksuniversiteit Groningen en het Drents Museum, bleken het slachtoffer van oplichterij. Na een wat onhandige persconferentie volgden twee processen, die in 1978 resulteerden in vrijspraak van Vermaning. De rechter had zich niet willen uitspreken over een wetenschappelijke kwestie. Het gevolg was dat in sommige amateurkringen de echtheid van de stenen nog lang zou worden verdedigd. Vermaning werd door menigeen gezien als het naïeve slachtoffer van rancuneuze universitaire prehistorici.

Waterbolk is er niet op uit in zijn autobiografie alsnog zijn gelijk te halen. Het gaat hem om een helder overzicht van de gang van zaken rond de zaak-Vermaning. En dat geeft hij.

Hij erkent ruimhartig dat het de amateur-archeologen waren, die het onderzoek naar de Oude Steentijd in Nederland op de kaart hebben gezet. En wellicht zal ook het slothoofdstuk bijdragen aan de verbetering van de verhoudingen. De auteur acht het verre van uitgesloten dat Vermaning aanvankelijk niet wist dat zijn vondsten vals waren. De ware falsaris zoekt Waterbolk in de eigen academische kring:

A. Bohmers, een Oude Steentijd-specialist die ooit, in de oorlogsjaren, door de Duitse bezetter aan de Groninger universiteit was geïnstalleerd.

Samen met een Brabantse amateur-archeoloog zou Bohmers de vindplaats van Hoogersmilde hebben 'gecreëerd', om met zogenaamde vondsten Bohmers' wetenschappelijke carrière een impuls te geven. Tegen 1965 kwam er aan deze carrière weer een einde doordat de man in zijn universitaire werkkamer werd betrapt op illegaal wapenbezit. Voor Bohmers werd Hoogersmilde opeens een middel tot revanche op de voormalige collega's, die hem gretig uit hun midden te hebben verbannen.

Waterbolk sluit niet uit dat de uitgerangeerde wetenschapper met genoegen volgde hoe de Groningse prehistorici steeds verder wegzonken in het moeras van de vervalsingsaffaire. Hij benadrukt echter ook dat de 'Bohmers-theorie' niet met sluitend bewijs kan staven. Als iemand in zijn wetenschappelijke loopbaan is geconfronteerd met het verschil tussen mogelijkheid en werkelijkheid, dan is het Waterbolk wel.

Deel dit artikel