Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Haarlems orgel erkend als beschermd monument

Cultuur

HANS FIDOM

Review

Tussen 20 april en 28 september worden in de Sint Bavo-kathedraal aan de Leidsevaart iedere zaterdag om 15 uur concerten gegeven, met een nadruk op het Franse repertoire. Het boek 'Orgelkunst rond 1900' is uitgegeven door Canaletto te Alphen aan de Rijn (1995).

De beslissing om het orgel de status van 'beschermd monument' te geven, heeft alles te maken met recente ontwikkelingen in de orgelwereld. Het orgel in de kathedraal is pas 72 jaar oud en dateert daarmee uit de tijd die jarenlang als 'vervalperiode' werd afgewezen. Sinds een paar jaar wordt dat brandmerk echter steeds minder geaccepteerd. Het pleit voor de redders van het Haarlemse orgel, dat ze de waarde 25 jaar geleden al inzagen.

De geschiedenis van het instrument begint in 1923. In Amsterdam, want Joseph Adema bouwde het oorspronkelijk voor de St.-Willibrordkerk in de hoofdstad. Het voldeed prima: Adema had het naar de eisen van zijn tijd gebouwd. In 1966 ontstonden echter de problemen. De Willibrordkerk moest worden afgebroken, het orgel was niet langer nodig. Pogingen om een andere locatie voor het instrument te vinden, mislukten. Zelfs toen het instrument gratis werd aangeboden, toonde niemand interesse.

Sloop leek de enige oplossing. De overgrote meerderheid van de organisten zwoer in de jaren zestig en zeventig bij heldere, spitse klanken en mechanische verbindingen tussen de toetsen en de pijpen - eigenschappen die het Adema-orgel ten enenmale ontbeerde. Het bezat integendeel allerlei zachte klanken. Ook kon het overweldigend groots klinken, ongeveer zoals de orgels van de Franse orgelbouwer Cavaillé-Coll (1811-1899) - van oudsher dé inspiratiebron van Adema. Verder was het orgel niet mechanisch: de toetsen waren door middel van een buizenstelsel en luchtdruk (pneumatisch) met de pijpen verbonden.

De dreiging dat het Adema-orgel als een instrument uit de 'vervalperiode' zou worden gesloopt, werd versterkt door een ongelukkige samenloop van omstandigheden: voor het grote Walckerorgel uit de Nieuwe Zuiderkerk in Rotterdam, maar een paar jaar ouder dan het Amsterdamse instrument, moest in dezelfde tijd óók een nieuwe bestemming gevonden worden. Schatte men de kwaliteit van Walckers werk hoger in dan dat van Adema? Feit is, dat het Amsterdamse orgel nauwelijks aandacht kreeg in de orgelpers, terwijl men over het Walcker-orgel (uiteindelijk verhuisde het naar de Grote Kerk te Doesburg) niet uitgeschreven raakte.

In 1969 dreigde het doek dan ook daadwerkelijk voor het Adema-orgel te vallen. Maar het werd op het nippertje gered: de Friese orgelbouwer-predikant Eppinga stond de orgelpijpen al in zijn vrachtwagentje te laden, toen een reddingsploeg hem te verstaan gaf het orgel op staande voet te willen overnemen. Naderhand verenigden de redders zich in de Stichting tot behoud van het Willibrordorgel.

Die stichting maakte veel meer werk van het zoeken naar een goede locatie dan het kerkbestuur ooit had gedaan. Het duurde dan ook niet lang, of zij had succes: het instrument kon in de Haarlemse kathedraal geplaatst worden. In maart 1971 rondde Hubert Schreurs, neef van de in 1943 gestorven Joseph Adema, de herbouw van het orgel af.

Dat het Haarlemse orgel inmiddels tot 'beschermd monument' is verklaard, betekent niet dat de sloop van orgels uit de decennia rond 1900 definitief tot het verleden behoort. Maar de vooruitzichten zijn goed: behalve Monumentenzorg houden ook anderen zich inmiddels intensief met de vermeende 'vervalperiode' bezig.

Eén van de belangrijkste resultaten van hun inspanningen is het pas verschenen boek 'Orgelkunst rond 1900'. Het is een onder redactie van Ton van Eck en Herman de Kler samengesteld verslag van het eerste symposium over dat tijdperk, in 1991 in Den Haag gehouden. Het boek bestaat voor een groot deel uit de - bewerkte - lezingen op dat symposium. Ze geven een goed beeld van de nieuwe manier waarop steeds meer organisten en organologen met de tijd rond de eeuwwisseling omgaan.

Prachtig is de bijdrage Mag ik het mooi vinden? van Gert Oost. Onbevangen vertelt hij hoe het hem frappeert dat juist de barok, dat tijdperk van 'ongebreidelde fantasie', zo goed past bij het orgelideaal van de twintigste eeuw, dat in de jaren zestig en zeventig niet voor niets 'neobarok' heette.

Openhartig is Oost ook over de interpretatie van orgelmuziek. Hij doet verslag van een experiment met een praeludium van Bach. In plaats van het op 'authentieke' achttiende-eeuwse wijze te spelen, volgde Oost op het negentiende-eeuwse orgel in de Gotische Zaal te Den Haag de registratie-aanwijzingen van organist J. A. de Zwaan (1861-1932). Het resultaat verklaart de titel van Oosts bijdrage, want “wat doen we als we eerlijk en oprecht tot de conclusie komen dat we Bachs werk, zeker op zo'n orgel, zo veel mooier vinden?”

Ton van Eck toont zich in zijn historische schets van de gebeurtenissen tussen 1870 en 1920 voorzichtiger. Hij behandelt de geschiedenis van orgelcultuur met grote kennis van zaken en tracht na te gaan of het terecht is de decennia rond 1900 als 'vervalperiode' af te doen. Een retorische vraag in feite, en het antwoord laat zich dan ook raden. Van Eck formuleert echter heel schroomvallig. Hij trapt de open deur dat elke periode slechte en goede orgels opleverde zo zachtjes in, dat je het nauwelijks merkt: hij weet wat er leeft en beseft dat te bruusk optreden averechts kan werken.

Bijzonder waardevol zijn ook de de bijdragen van kunsthistoricus Arjen Looyenga. Hij onderzocht de architectuur van kerken en orgels in de tijd rond 1900. Looyenga relateert de plaats van het orgel in de kerk aan de denominatie van de kerk: de hervormde kerken plaatsten hun orgels tot 1890 tegenover de kansel, daana namen ze de gewoonte van de gereformeerden over, door orgel en kansel tot één geheel te combineren.

De manier waarop Looyenga de ontwikkeling van de stijl van kerk en orgel inzichtelijk maakt, verdient eveneens alle lof: zelden zijn de neostijlen van de negentiende eeuw zo logisch aan elkaar gerelateerd. Dat Looyenga de kasloze fronten uit de eerste helft van de twintigste eeuw in verhouding wat summier behandelt, doet aan de betekenis van zijn artikelen weinig af - ook al omdat hij er expliciet voor pleit deze fronten en de bijbehorende orgels te beschermen.

Het zijn dergelijke impulsen, die het proces van herwaardering van instrumenten als het orgel in Haarlem onomkeerbaar maken. Wie het mee wil vieren, kan zondagmiddag in de kathedraal in Haarlem terecht. Het concert van Bartelink (sinds 1971 organist van de kathedraal) en Thijs Kramer (destijds de vaste bespeler van het orgel in Amsterdam) begint om 15.00 uur.



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie