Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Gustave Flaubert als vaderlijke vriend

Cultuur

Ger Leppers

Review

De grote Flaubert leefde als een monnik, schrapte bijna evenveel als hij schreef, en documenteerde zich maniakaal uitvoerig voor zijn literaire werk. Zo ontstond het beroemde ’Madame Bovary’. Zijn brieven daarentegen had Flaubert het liefst allemaal verbrand. Goddank gebeurde dat niet, want ze behoren tot de mooiste en spontaanste brieven die er bestaan. Een nieuwe vertaling maakt ze toegankelijk.

Er bestaan eigenlijk twee schrijvers met de naam Gustave Flaubert, twee schrijvers die volkomen van elkaar lijken te verschillen, maar die wel ieder de auteur zijn van vijf kloeke delen verzameld werk in de fraaie, in leer gebonden Pléiade-reeks van de Parijse uitgeverij Gallimard.

De eerste is de ’officiële’ Gustave Flaubert, de schrijver van een oeuvre dat onder meer romans als ’Madame Bovary’ en ’De leerschool der liefde’ omvat, alsmede het volstrekt onspeelbare maar meeslepende toneelstuk ’De Verzoeking’ van de Heilige Antonius.

Bij het schrijven van dit handjevol werken woog Flaubert zijn woorden op een goudschaaltje. In de stilte en de eenzaamheid van zijn huis in Croisset, bij Rouaan, waar hij het grootste gedeelte van het jaar doorbracht, schreef hij dag in dag uit voort, levend als een monnik. Vervolgens schrapte hij doorgaans weer bijna evenveel als hij geschreven had. Hij schaafde aan zijn teksten, werkte lelijke klank- en woordherhalingen weg en documenteerde zich tot in het maniakale. Wanneer zijn hoofdpersoon twintig jaar eerder een treinreis maakt, rustte Flaubert niet voordat hij de hele toenmalige dienstregeling had achterhaald, de wagonsamenstelling van de trein kende, de vorm van het spiegelei van de stationschef wist en te weten was gekomen wat voor weer het was op de bewuste dag.

Het schrijven van een enkel kort hoofdstuk kon op die manier al gauw ettelijke maanden in beslag nemen. ,,Ik heb weinig gegeten, maar heel wat herkauwd”, schreef hij aan één van zijn correspondentes.

Afgelopen november wijdde het Franse Magazine littéraire nog een dossier van enige tientallen bladzijden aan het actuele belang van ’Madame Bovary’, een boek dat nog steeds geldt als een van de allereerste echt moderne romans. Dat is niet zozeer te danken aan het tijdloze maar wel tamelijk banale onderwerp van een ongelukkige overspelige relatie, als wel aan de verfijnde ironie en de subtiele verschuivingen in het vertelperspectief waarmee het verhaal verteld wordt, en die in zekere zin het eigenlijke onderwerp van het boek vormen.

Als het had gelegen aan deze Flaubert, wiens handelsmerk de ironische distantie was, dan hadden de lezers nooit kennis gemaakt met de tweede ziel die in zijn borst huisde. Flaubert is namelijk ook de auteur van één van de mooiste en vooral meest spontane correspondenties uit de wereldliteratuur. Hij schreef, voornamelijk vanuit zijn studeerkamer in Croisset, honderden inlevende, hartelijke, lieve, bittere, amusante, verwijtende en geestige brieven naar ettelijke tientallen correspondenten. Die brieven waren, als het aan Flaubert zelf had gelegen, nooit in druk verschenen. In 1877 schrijft hij in een brief aan Léonie Brainne: ,,Ik en Du Camp (ook een schrijver en een zeer intieme vriend van Flaubert – G.L.) hebben onze oude brieven verbrand die ons leven van 1843 tot 1857 omvatten! Het voorbeeld van wat Mérimée (wiens correspondentie net was uitgegeven – G.L.) is overkomen heeft ons die behoedzame maatregel ingegeven. Wat heb ik niet allemaal teruggevonden! Het leek wel een proces-verbaal van fantomen!”

Eeuwig zonde dat die brieven voorgoed verloren zijn. Maar er resteert genoeg moois om ons voor dit verlies te troosten. Dat is de onvermijdelijke conclusie waartoe je komt na het lezen van ’Geluk is onmogelijk’, het tweede in het Nederlands vertaalde boekdeel met brieven van Flaubert, nadat eerder al ’De kluizenaar en zijn Muze’ was verschenen, eveneens bij de Arbeiderspers. Het nieuwe boek begint waar het vorige eindigde, in 1857, en loopt door tot aan de dood van de schrijver, in tamelijk behoeftige omstandigheden, in 1880.

Wat een feest moet het zijn geweest om een brief van Flaubert te ontvangen, denk je als lezer onwillekeurig keer op keer. Steeds weer toont de schrijver zich bezorgd om het welzijn van zijn correspondent en komt hij met vaderlijke raadgevingen.

Altijd doet hij zijn best onderhoudend te zijn, hetzij door een pikante anekdote, hetzij door een levendige, onvergetelijke kenschetsing. Zo geeft hij terloops deze prachtige karakteristiek van Voltaire: ,,Zijn hele intelligentie was een oorlogsmachine.” En voortdurend stuit je op onverwachte wendingen waarmee hij zijn correspondenten poogt te amuseren en op te monteren, zoals deze: ,,We zakken op een schrikwekkende manier weg in het burgerlijke en ik wens de twintigste eeuw niet mee te maken. Wat de dertigste betreft, dat is iets anders!”

Onlangs ging in deze krant Bas de Vries in zijn column Internet nog eens in op de kracht van beeldtaal. ,,Televisie,” zo schreef hij, naar mijn gevoel wel erg stellig, ,,roept emoties op die met ouderwetse letters () niet of nauwelijks te bereiken zijn. En heeft daarmee een duidelijke toegevoegde waarde boven het papieren product.” Dat zal ongetwijfeld in vele gevallen waar zijn. Maar deze brieven van Flaubert doordringen de lezer ervan dat met woorden ook iets bereikt kan worden wat met louter beelden nooit of te nimmer kan worden bewerkstelligd: de lezer het gevoel geven dat iemand die is overleden in een jaar waarin zijn vier grootouders nog moesten worden geboren, tegenover hem zit als een ’vijf voet en acht duim’ (Flauberts eigen opmeting) grote, goedhartige vriend en hem de oren van het hoofd kletst met een schier eindeloze reeks amusante anekdotes, observaties, aanmoedigingen en hartenkreten.

Mijn enige kritiek op deze heerlijke uitgave heeft betrekking op de Hollandse koopmansgeest: bij een schrijver die zo belangrijk is als Flaubert, en in het geval van een correspondentie die ettelijke duizenden bladzijden beslaat, is een selectie van iets meer dan 2 x 300 bladzijden wel aan de heel erg zunige kant. En bovendien behoort een dergelijk boek, waar je keer op keer weer in wilt bladeren, natuurlijk te zijn voorzien van een register.



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie