Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

GESITUEERD IN DE HEMEL

Cultuur

PIET MEEUSE

Review

'Een ongewoon grote en grootse roman' schreef T. van Deel in deze krant over het nieuwste boek van Harry Mulisch: 'De ontdekking van de hemel'. Hoogste tijd voor een nadere beschouwing. Tien jaar geleden beschreef Mulisch zijn wijsgerige visie al in 'De compositie van de wereld', en tussen beide boeken bestaat een hecht verband. Hoe het bestaan begrijpelijk wordt in het spelen van een octaaf of het aanstrijken van een cello.

Deze keer is het dus een roman van 900 bladzijden waarin hemel en aarde in een grote greep omvat worden: De ontdekking van de hemel. Het is het verhaal van een Uitverkorene met een heel speciale Missie, en wie het uit heeft moet toegeven: alleen iemand die een zo hoog uitverkorenheidsgehalte uitstraalt als Mulisch kan zo'n verhaal bedenken.

Het wordt verteld in de hemel, maar het gaat over mensen en wat die uitspoken op de aarde. Een engel brengt verslag uit aan zijn superieur over een zojuist voltooide opdracht. Die opdracht behelst het terughalen van de stenen tafelen met de Mozasche Wet. Want de mensheid heeft het pact met de hemel verraden voor een ander pact: de Engelse geleerde Francis Bacon heeft namens de mensheid een pact met de duivel gesloten, dat resulteert in een razendsnelle ontwikkeling van wetenschap en techniek - als gevolg waarvan de hemel steeds overbodiger is geworden. Maar dit alles wordt pas geleidelijk aan duidelijk. Om die opdracht te vervullen moet er eerst gezorgd worden voor een gezant op aarde die zo'n opdracht kan uitvoeren, en dat heeft heel wat voeten in die aarde.

Dit is het allesomvattende kader waarin het verhaal zich afspeelt. En dat het de bedoeling is alles te omvatten wordt van de andere kant ook duidelijk in de beroepen die Mulisch de twee hoofdfiguren Max en Onno heeft toegedacht: Max is een astronoom, terwijl zijn vriend Onno een taalkundige is. Max buigt zich over radiosignalen die afkomstig zijn van de grenzen van het heelal en verband houden met de veronderstelde oorsprong ervan, de Big Bang, terwijl Onno worstelt met de raadselachtige schrifttekens van een verdwenen cultuur. De wereld van de materie tegenover die van taal en geest.

Qua conceptie en pretentie kan dit boek dus wel beschouwd worden als de literaire evenknie van De compositie van de wereld. En ook inhoudelijk zijn er duidelijke verbanden. Dat blijkt bij voorbeeld in het kaderverhaal: het gesprek van de twee engelen. De visie die daar wordt ontvouwd op de technologische expansie en de daarmee samenhangende verdwijning van het geloof in een 'hogere werkelijkheid' doet sterk denken aan de theorieen in De compositie van de wereld.

Ook in het aardse verhaal zijn er allerlei hints die naar zijn filosofie verwijzen - wat overigens niet wil zeggen dat die voor een goed begrip van het boek onmisbaar zouden zijn. Maar het is natuurlijk geen toeval dat de astronoom Max valt op de celliste Ada: deze pythagorese combinatie van astronomie en muziek moet in een boek van Mulisch wel vrucht dragen - en dat is dan ook het geval. En anderzijds is er de combinatie van Ada en Onno: die ook vrucht draagt, maar op een heel andere manier. Het resultaat van dit alles is Quinten. Dat hij uit de muziek (Ada) geboren wordt, staat vast. Maar wie precies zijn vader is, dat is minder duidelijk: het gedeelde vaderschap van Max en Onno blijft even mysterieus als de samenhang van ruimte en tijd.

In de hierarchie van de kunsten die Mulisch in De compositie van de wereld opstelde neemt de muziek de hoogste plaats in. En dat kon natuurlijk ook moeilijk anders in een boek waarin het wereldraadsel wordt opgelost aan de hand van het muzikale oerfenomeen: het octaaf. In De ontdekking van de hemel krijgt Quinten dan ook het opwindende gevoel dat hij een grote opdracht te vervullen heeft als hij voor het eerst de cello van zijn moeder in handen houdt en twee octaaftonen aanstrijkt.

Maar die opdracht - het terugbrengen van de tien geboden - die voortvloeit uit de hemelse teleurstelling over het duivelspakt waarmee de mens zich heeft uitgeleverd aan de luciferische techniek, is die bij nader inzien niet in tegenspraak met de visie op de techniek die Mulisch in De compositie van de wereld ontvouwde? Daar werd de technologische expansie immers begrepen als een onvermijdelijk proces in de evolutie van de menselijke soort, sterker nog: als een mutatie van het corpus (d.i. het menselijk lichaam plus zijn technische extensies) tot het corpus corporum: een alles overkoepelend planetair, en wie-weet straks interplanetair, technisch 'lichaam'.

Vanuit een dergelijke visie zou het toch onzin zijn om die ontwikkeling nu voor te stellen als een duivelspakt, d.w.z. als een menselijke keuze? Wat valt de mensen kwalijk te nemen als die hele ontwikkeling van de techniek als het ware in hun genen besloten ligt? Is Mulisch misschien zijn eigen filosofie ontrouw geworden? Is hij bezweken voor de verleiding zijn theorie op te offeren aan de mogelijkheden van een spannend verhaal?

Dat staat nog te bezien: hier stuit je op de beperkingen van een bepaalde manier van lezen die bij een roman altijd tot problemen leidt. Je kunt de fictieve werkelijkheid van de roman nooit rechtstreeks herleiden tot een werkelijkheid buiten de roman, en dat geldt ook in dit geval: het idee van het duivelspakt dat Francis Bacon namens de mensheid met Lucifer zou hebben gesloten wordt niet voor niets in de hemel ontvouwd. En daar is zo'n mythologisch denkbeeld natuurlijk perfect op zijn plaats.

Daarom is het interessanter om de rol van de hemel in deze roman eens wat nader te bekijken. Want de filosofie van een romanschrijver blijkt vaak minder uit de ideeen en opvattingen die in zijn roman verkondigd worden dan uit de manier waarop hij zijn verhaal vertelt. Dat hele verhaal is dus, als verhaal, gesitueerd in de hemel, waar de ene engel het vertelt aan een andere. In die zin is de roman inderdaad een mysteriespel; inzet is het lot van de mensheid, en dat lot ligt in handen van de hogere machten die strijden om de menselijke ziel. Maar in Mulisch' moderne versie lijkt de strijd gestreden. De hemel heeft besloten de strijd op te geven - Lucifer heeft gewonnen. De opdracht waar het in het verhaal om draait is in feite een laatste afwikkeling: de ontbinding van het 'contract' dat God met de mensheid had gesloten.

De periode die intussen door het verhaal op aarde wordt bestreken loopt van 1967 tot 1985 - van provo en de revolutionaire aspiraties van de jaren zestig tot het aantreden van Gorbatsjow in de Sowjet-Unie. God of de hemel komen in dat verhaal niet voor, tenzij dan als een christendom dat langzaam uitdooft in de patriarchaal-calvinistische familie van Onno. Dat klopt dus met de voorstelling die er in de hemel van gegeven wordt. Vroeger, zo zegt de ene engel, konden de engelen de mensen nog wel eens wat influisteren; tegenwoordig denken ze in die gevallen dat het hun eigen idee is.

Het is dus een aflopende zaak, die hemel. Maar Mulisch' hemel bevat toch nog een verrassing: op de laatste bladzijde van het boek laat de engel die het hele verslag heeft gedaan zich van een verrassende kant zien.

"Waar is onze man nu?" vraagt zijn superieur hem. "Teruggekeerd in het Licht," antwoordt de engel. "Zeg langzamerhand maar gerust in de Schemering," zegt de ander, en geeft vervolgens zijn sombere visie op wat de mensheid in de eerstvolgende decennia te wachten staat. Dat kan de verteller-engel niet geloven. Hij wil het niet geloven. Hij hoopt nog op een inkeer. Hij neemt het op voor Onno Quist, de enige op aarde die weet wat er gebeurd is. Hij wil onmiddellijk actie ondernemen en smeekt om een nieuwe opdracht, maar zijn Superieur is onverbiddelijk en zet er een streep onder. "Dan doe ik het op eigen houtje!" roept de engel. "Hoort u mij? Ik laat het er niet bij zitten! Wat verbeelden ze zich wel! Wie denken ze eigenlijk dat ze zijn, die parvenu's! Geef antwoord!"

Zijn we in de laatste regels van het boek getuige van een nieuwe Val? Het is duidelijk dat de verteller-engel de mensheid nog een kans wil geven, maar wie noemt hij nu precies parvenu's? De meest voor de hand liggende mogelijkheid, vanuit de hemel gezien, is natuurlijk dat hij daarmee de mensen bedoelt. Maar als hij ze voor 'parvenu's' uitmaakt, waarom zou hij zich dan nog iets aan hen gelegen laten liggen? Het zinnetje kan ook opgevat worden als een terzijde, en dan moet hij met 'parvenu's' zijn collega-engelen bedoelen.

Die twee interpretatiemogelijkheden komen neer op de beroemde kwestie van de kip of het ei: wat was er eerder, de hemel of de aarde? Anders geformuleerd: heeft God de mensen, of hebben de mensen God geschapen? Het antwoord dat in De ontdekking van de hemel besloten lijkt te liggen is dat dat lood om oud ijzer is. Het een is ondenkbaar zonder het ander.

Dat blijkt trouwens ook uit de cynische opmerking van de andere engel over de 'Schemering' - als de mens tot de ondergang gedoemd is, dan betekent dat ook het einde van de hemel. Maar alleen de engel die het verhaal verteld heeft schijnt dat echt te beseffen. Die verteller is uiteindelijk de sleutel tot het domein van de geest, dat de hemel symboliseert - het verdwijnpunt van het verhaal, maar tevens het 'verschijnpunt' ervan. (En daarmee is hij de tegenhanger van wat Max in zijn laatste momenten meent te ontdekken als de sleutel tot het raadsel van de Big Bang)

Het verhaal speelt zich af in deze wereld, maar het wordt verteld in die andere. Deze simpele constatering impliceert een complete metafysica van het vertellen, en daarin is Mulisch uniek als schrijver en denker. Zijn hele filosofie van de paradox, zoals die in De compositie van de wereld wordt ontvouwd, vindt hierin haar literaire toepassing.

De hemel is het domein van de geest, maar welke geest zou dat anders zijn dan die van de mens of - wat meer toegespitst - die van schrijver en lezer? Vanuit dat gezichtspunt zijn de hemelingen dus op hun beurt ook parvenu's: creaturen die hun afkomst willen vergeten, maar die afkomst verloochent zich niet. Er bestaat dus een spiegelrelatie tussen beide werelden (hemel en aarde, materie en geest), waarbij het een in het ander gempliceerd is - en omgekeerd.

Daarom kan de conclusie niet zijn dat die engelenwereld dus 'maar een verzinsel' is want dan mis je de pointe: juist als fictie, als creatie van de geest, is zij in staat de mens boven zichzelf uit te tillen. Alleen dank zij die paradox mag de mens volgens Mulisch 'mens' heten. Verdwijnt dat paradoxale besef van de wereld van de geest, die tegelijk wel en niet bestaat, dan blijft er van de mens niets anders over dan een lege huls - een diersoort die hij in De compositie . . . aanduidt als de 'ultimitieven'.

In het hoofdstuk 'De burcht' leert Quinten van meneer Spier dat letters net als mensen een ziel en een lichaam hebben, en komt dan zelf tot de conclusie dat er ook letters zijn die geen lichaam hebben, omdat ze uitgehakt zijn in steen. Opnieuw een paradox: ze bestaan in steen, maar alleen als afwezigheid van diezelfde steen. Zulke letters, redeneert Quinten, zijn dus zuivere zielen. (Daarom vliegen ze bij de voltooiing van de opdracht ook van de stenen tafelen op als een zwerm vlinders.) Zo wordt op allerlei manieren een heel ingenieus spel gespeeld met de thematiek van 'letter en geest'. Het is maar een verhaal, het zijn maar letters op papier, maar die vormen wel de sleutel tot de geest. Want, zoals de engel zegt: "Hemel en aarde zijn nu eenmaal uitsluitend verbonden door middel van het woord."

Mulisch' mysteriespel is dus meer dan het traditionele gericht dat in de hemel over de mens wordt gehouden: hij trekt het binnenstebuiten, zodat ook het voortbestaan van de hemel op het spel komt te staan. Zoals in de hemel over het lot van de mens wordt beslist, zo ligt op aarde het lot van die hemel in handen van de mens.

De terugtrekking van de tien geboden is dus niet het laatste woord, want de hemel waarin ze teruggetrokken worden is die van het verhaal: die paradoxale, transcendente werkelijkheid, die tegelijk wel en niet bestaat en waarin ook de tien geboden kunnen worden teruggevonden. In deze paradox, die zowel die van de geest, als in laatste instantie die van de muziek is, schuilt volgens Mulisch de laatste hoop, een tegenwicht te vormen tegen de collectieve binnenstebuitenkering - de transfiguratie - van het menselijk corpus tot het corpus corporum van de techniek.

In De compositie . . . komt een klein hoofdstukje voor dat 'Hoop dankzij de kunst' heet, waarin dat uiteengezet wordt. Want het kunstwerk is ook een 'binnenstebuitenkering' - een 'transcendent corpus' noemt hij het - waarvan het gebruik de mens niet psychisch verarmt, zoals het geval is in het gebruik van technische artefacten, maar verrijkt. En wel omdat het 'gebruik' ervan een communicatie is tussen de geest van de maker en die van de gebruiker, waarbij de een zich aan de ander verrijkt.

Zo blijkt De ontdekking van de hemel dus in het verlengde te liggen van De compositie van de wereld. Dat kleine, en nogal mistroostige hoofdstukje 'Hoop dankzij de kunst', waarin van die kunst uiteindelijk ook niet meer overblijft dan "minimale muziekjes, uit niet veel meer bestaand dan uit een toon en zijn octaaf" , explodeert hier tot een verbluffend universum met een dringende boodschap. Mulisch' roman is niet alleen virtuoos en vermakelijk, maar ook ontroerend en spannend: een schitterende uitnodiging om deze hemel te ontdekken. Wie in staat is zo'n boek te schrijven kan zich heel wat pretenties veroorloven.

Deel dit artikel