Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Gerrit Kouwenaar 1923-2014: Taal maakt geen leven

Cultuur

Rob Schouten

Dichter Gerrit Kouwenaar in 1965. © anp

"Elk woord liegt", zei Gerrit Kouwenaar ooit. Het woord tafel bestaat immers niet uit hout en zitten kun je er ook niet op. Voor de dichter waren woorden geen communicatiemiddel, maar vroegen ze erom bewerkt te worden. En bewerken kon Kouwenaar. Zelfs zo goed dat hij met zijn 'taalbewerkingen' de belangrijkste Nederlandse poëzieprijzen won. Vandaag overleed hij op 91-jarige leeftijd in zijn woonplaats in Amsterdam. Vorig jaar maakte dichter Rob Schouten een mooi portret van een van de laatste deelnemers van de literaire beweging de Vijftigers.

Gerrit Kouwenaar, door sommigen wel gezien als de belangrijkste en invloedrijkste naoorlogse dichter in Nederland, werd in 1923 in Amsterdam geboren als zoon van Jeltje Bloksma en de socialistische journalist David Kouwenaar. "Wij hadden zeven kranten in huis. Dat vormt toch een basis waarop je steunt, al besef je dat pas later", zei hij ooit over de invloed van zijn afkomst op zijn werk.

Vijftigers
Na enige tijd verhuisde het gezin Kouwenaar van Amsterdam naar Bergen (NH) waar Gerrit opgroeide. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, waarin hij vanwege illegaal verzetswerk nog een half jaar door de Duitsers gevangen werd gehouden, treffen we hem weer aan in Amsterdam. Tijdens en na de oorlog werkte hij op de kunstredactie van de communistische krant De Waarheid. In die tijd leerde hij de dichters Lucebert en Jan Elburg kennen. Samen met hen vormde hij de dichterskern van de Nederlandse Experimentele Groep die later opging in de Cobra-groep, het begin van wat de beweging van de Vijftigers zou worden.

Gerrit Kouwenaar behoorde tot de harde kern van die Vijftigers. Hij was de man die als het ware het uithangbord van de groep timmerde met zijn bloemlezing uit 1955 'Vijf 5-tigers', met op het omslag Lucebert, Campert, Schierbeek, Elburg en Kouwenaar zelf, opgetuigd met kattesnorren: vijf tijgers, revolutionair, maar toch ook speels.

Binnen die groep, waar overigens door iedereen heel verschillende poëzie werd geschreven, ontpopte Kouwenaar zich al snel als de meester van het experiment. Hij beschouwde taal niet zomaar als een handig communicatiemiddel of een instrument om emoties over te brengen, zoals zijn grote voorgangers als Nijhoff of Vasalis deden. Taal is voor hem een soort detector om de eigen grenzen te onderzoeken.

Het lijdt geen twijfel of zijn kritische houding tegenover de taal komt voort uit een kritische houding tegenover het manipulatieve van bijvoorbeeld politiek-maatschappelijke retoriek. Iets waar hij zich als rechtgeaarde socialist natuurlijk tegen verzette.

'De experimentele kunst wil niet anders zijn dan de kunst van dit moment, de kunst van het mooie, maar vooral lelijke West-Europa, waarin het kapitalisme bezig is zichzelf te vernietigen en het socialisme steeds meer veld wint.' Dat schreef een nog piepjonge Kouwenaar in 1949. Wishful thinking, maar heel wat van zijn vroege gedichten hebben ook echt een politiek tintje, zoals het beroemde gedicht 'elba' met de klassiek geworden regel: 'Ik draag een waarschuwing bloedjas.'

Gaandeweg richtte hij zijn vizier steeds meer op de taal zelf, het woord dat nooit samenvalt met het ding dat het betekent. Het wóórd 'tafel' is tenslotte niet van hout en je kunt er niet aan zitten. Over de onmogelijkheid van emotionele poëzie die iedereen raakt, schreef hij ooit: 'Geen bedachte letters op dit papier/ maar ik kan niet ieder oor oproepen/ slaan en liefkozen.'

Lees verder na de advertentie
Geen bedachte letters op dit papier/ maar ik kan niet ieder oor oproepen/ slaan en liefkozen

Gerrit Kouwenaar

'The Spirit killeth, the letter giveth life'

Taal maakt nooit leven, is het uitgangspunt van Kouwenaar, maar gelukkig is hij geen strenge dogmaticus. Hij weet dat 'elk woord liegt voor zover het uit letters bestaat', maar hij beseft ook dat hij vertegenwoordiger is van de gedachte van de grote dichter T.S. Eliot: 'The Spirit killeth, the letter giveth life.'

In feite is het juist vaak deze tweeslachtigheid die zijn gedichten voedt. Het gedicht is niet langer een romantisch vehikel, maar een zelfstandig 'ding'. Tegelijkertijd is Kouwenaars poëzie bij alle abstractie toch ook juist heel aards, er wordt bijvoorbeeld opvallend veel in gegeten en geconsumeerd. Lezen is voor hem een vorm van eten; de lezer moet zijn gedichten verorberen, maar dat gaat niet altijd even makkelijk. Kouwenaars meest karakteristieke titel in dit verband kreeg de bundel 'Volledig volmaakte oneetbare perzik' uit 1978, waarin het volgende gedicht staat, waarin je proeft wat voor inspanning het kost om in het gedicht, in de taal, iets werkelijk voor elkaar te krijgen:

doe die deur open

Doe die deur open

doe nu toch die dichte deur open

doe nu toch dat kleine elastiekje af

van dat grote pak brood

doe de grond open het licht open het oog

probeer te zien waar het zwart zit

probeer je hand op te tillen

probeer je vuist uit te leggen

probeer een vinger te breken

proef je bloed roep je mond

om de knoop te ontwarren om te zeggen

hoe je proeft dat het zou smaken moeten

maak met andere woorden die deur dicht

maak nu toch eindelijk eens voorgoed

die open deur dicht

Droog en puur

In de loop der jaren is de poëzie van Kouwenaar steeds droger, steeds puurder, steeds verder verwijderd geraakt van elk goedkoop sentiment, maar een echt 'koude' dichter (een verwijt dat hem ten onrechte wel eens is gemaakt) is hij gelukkig nooit geworden. Kouwenaars gedichten zijn met hun geconcentreerde, rationeel- intelligente karakter weliswaar geen heel makkelijke kost, je mag wel zeggen dat deze dichter het tegendeel van behaagziek was. Niettemin heeft hij echt school gemaakt, heel wat kritische jonge dichters herkenden zich in zijn verzet tegen goedkope gevoelspoëzie.

In zijn taalmachientjes roept hij naar hartelust paradoxen en onverwachte (bij)betekenissen op, maar het ingewikkelde karakter van zijn werk neemt niet weg dat er voor de liefhebbers toch ook van een heleboel humor valt te genieten. Juist door het koele, onpersoonlijke jargon in combinatie met bijvoorbeeld die gulzige eetmetaforiek ontstaan soms vanzelf grappige passages:

in een lekkere stoel zittend

een lekkere pudding etend

ja machtig verlekkerd in een dikke pudding spittend

met zo'n verzilverde lepel

Opvallend is dat Kouwenaar het in zijn soms als duister ervaren poëzie zo vaak over helderheid heeft. In deze bloemlezing staat als eerste gedicht 'het is een heldere dag', en verderop vinden we de klassieker 'zo helder is het werkelijk zelden'. Aan die heldere e-klanken in de titel merk je al hoe zorgvuldig Kouwenaars poëzie in elkaar steekt, tegelijkertijd vindt er veel duisters plaats. Op die heldere dag, in het eerste gedicht, komt er namelijk een jager bij de dichter binnen die juist iets als de dood lijkt te belichamen. Daardoor doet het gedicht ook wel denken aan het beroemde 'De tuinman en de dood' van dichter P.N. van Eyck.

Een van zijn indrukwekkendste bundels, 'Totaal witte kamer', publiceerde Kouwenaar in 2002. Deze gedichten werden geschreven na de dood van zijn vrouw, een periode waarin hij zich duidelijk eenzaam voelt. Ze laten ook zien dat Kouwenaar ondanks zijn vernieuwingsdrift en experimenteerlust wel degelijk in een langdurige poëtische en humanistische traditie staat.

Hij ontving voor zijn werk alle grote Nederlandse poëzieprijzen. De belangrijkste, de P.C. Hooftprijs, kreeg hij in 1970 voor zijn gehele oeuvre.

Deel dit artikel

Geen bedachte letters op dit papier/ maar ik kan niet ieder oor oproepen/ slaan en liefkozen

Gerrit Kouwenaar