Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Geheimtip voor de poëzieliefhebber

Cultuur

T. VAN DEEL

Review

Joseph Brodsky zei het een keer tegen zijn studenten: luister goed naar mensen met smaak die veel ervaring hebben met poëzie en die je de aanbeveling doen om toch vooral de volgende dichters te lezen. Waarna hij zelf zijn lijstje favoriete moderne dichters aanbood. Leermeesters in deze zijn geen noodzakelijk kwaad, maar moeten gretig gevolgd worden; ze zorgen voor de ontsluiting van een wereld, ze hebben een gidsfunctie.

Iedereen die de wereld van de poëzie is binnengegaan, zal de handen dankbaar zijn die hem daarbij geleid hebben. In 1954, hij was toen zeventien, hoorde de latere schrijver J.Bernlef zijn leraar Nederlands Rob Nieuwenhuys met enthousiasme spreken over de gedichten van ene J.C. Noordstar. Hij kreeg het zeldzame bundeltje 'De Zwanen en andere gedichten', in 1930 verschenen bij de Groningse uitgeverij Ebenhaezer, van zijn leraar te lezen en werd een bewonderaar. In 1958, toen hij met zijn vrienden K.Schippers en G.Brands het aanvankelijk gestencilde blaadje Barbarber begon, typte hij in drievoud voor ieder een exemplaar van 'De Zwanen' uit, om het onverkrijgbare boekje wat de inhoud betreft toch te kunnen bezitten.

Er zijn natuurlijk ook altijd mensen die een dichter in een vroeg stadium vrijwel op eigen kracht als de hunne herkennen. Zo kocht Reinold Kuipers, dichter en uitgever in ruste, meer dan zeventig jaar geleden, op zijn zestiende, in een Groningse boekhandel het zojuist verschenen 'De Zwanen en andere gedichten' voor vijfennegentig cent. ,,Ik was meteen enthousiast: dat ironisch plechtstatige parlando, dat hier ongekend was. Die mengeling van melancholie en humor, de uitzonderlijke vorm. Ik heb nooit méér van een uitgave gehouden', zei hij onlangs in een interview.

Deze liefde, en ook die voor Noordstars vriend N.E.M. Pareau, heeft hij in al die jaren uitgedragen, wat tot uitgaven van hun werk heeft geleid. Het culminatiepunt is nu eindelijk bereikt, want, samen met de componist Rudolf Escher (een vroege bewonderaar van Noordstar), heeft hij nu in een schitterend vormgegeven, gebonden drieluik in cassette het volledige werk van Noordstar en Pareau, en de geschiedschrijving van hun uitgeverijtje Ebenhaezer, plus de volledige bibliografie van hun werk verzorgd. Als eerbetoon aan Bernlef heeft hij tussen vierkante haken, want het is natuurlijk in strikte zin geen uitgave, het drievoudig typsel van 'De Zwanen' in Noordstars bibliografie opgenomen.

De poëzie van de beide dichters, dat is althans mijn indruk, geniet weinig bekendheid. Noordstar is in 1967 en Pareau in 1980 voor het laatst herdrukt. Gerrit Komrij, in zijn bekende bloemlezing, neemt van de eerste vijf en van de tweede liefst zeven gedichten op; het mag niet uitgesloten worden dat nieuwsgierige poëzielezers door deze appreciatie aangestoken worden en in bibliotheken op onderzoek uitgaan. Maar toch, ze zijn in al die jaren een geheimtip gebleven, deze dichters.

Hun namen zijn pseudoniemen: Noordstar heette officieel A.J.P. Tammes (1907-1987), Pareau heette H.J. Scheltema (1906-1981). Beiden waren in hun werkzame leven befaamde hoogleraren, in respectievelijk internationaal en Romeins recht. Ze beschouwden het literaire werk uit hun studentenjaren als een jeugdzonde, niet onvergeeflijk, maar ook niet om er nog veel aandacht aan te besteden. Het zijn steeds anderen geweest, Escher en Kuipers, die hun literaire verleden graag zagen opgerakeld. Voor Kuipers kwam er nog een extra reden bij: de deelname aan Ebenhaezer van de nu wereldberoemde H.N. Werkman, die onder meer 'De Zwanen' heeft gedrukt.

Dat Noordstar en Pareau als tweelingsterren figureren, komt doordat zij, bij voorbeeld in 'Argos in Arcadia' (1935), samen publiceerden - en mystificeerden, moet erbij worden gezegd, want ze schreven wel eens werk van de een toe aan de ander. Dat is een lastig punt voor een tekstbezorger, maar Escher en Kuipers weten in hun zorgvuldige verantwoordingen de meeste raadsels wel op te lossen. Noordstars gedichten onderscheiden zich alleen al in vormelijk opzicht sterk van die van Pareau. Schreef de laatste voornamelijk sonnetten en ambachtelijke, metrische verzen, de eerste sprong geregeld uit de band en stond zich een grillige ritmiek toe. Het gaat te ver om Pareau een op het negentiende-eeuwse gedicht georiënteerde traditoneel te noemen en Noordstar een twintigste-eeuwse, naar het (sur)realisme neigende, experimenteel, maar iets van deze tegenstelling is toch wel herkenbaar.

Noordstar veroorlooft zich een strofe als:

Een enk'le late vogel, achterblijver,

jachtte nog met zijn parapluie naar 't Oosten, naar Jeruza- lem,

midden in de vlammenhaard der zon,

en dubbel geknakte dennen, breed en vlak,

bewogen nog met mededogen,

en luid schreide op de paarse heide

een verlaten kind, want 't hoorde in de verte

de trein vertrekken met de zondagsgangers.

Het verschil met het begin van Pareau's sonnet 'Voorjaarsochtendzang' is evident:

Gelijk de grootvorst bij het ochtendgloren

in dolle vreugd ronddanste op 't gazon

van 't zomerlustoord, voordat hij begon

den staatsraad over 't wetsontwerp te hooren

- hoe kan natuur het menschenhart bekoren! -,

zoo speelt er thans nabij de nymphenbron

de blijde koekoek, zingend wat hij kon,

wijl uit zijn ei een gladvink is geboren.

Pareau stoffeert zijn verzen graag met klassieke beelden en hij zet zijn gedichten veelal ingenieus in elkaar. Ze zijn gewrocht. Het lijkt erop dat Noordstar het strenge keurslijf minder aanstond, zie zijn lange, breed meanderende vertellingen.

Maar beide dichters zijn, elk op eigen wijze, tot op de dag van vandaag buitengewoon genietbaar. Hun ironie en speelsheid, hun spot met het hoogverheven dichterschap, hun persiflages - het is alles even bewonderenswaardig. Wie eenmaal 'De bollenkweker', 'Mijn zoon' of 'Timmermans' van Noordstar heeft gelezen, is verkocht en hetzelfde geldt voor wie van Pareau 'De sidderrog', 'Voorval' of 'Lied' onder ogen heeft gekregen. Het is misschien maar het beste om met dat laatste te eindigen. De regel puntjes tot slot behoort tot het gedicht:

LIED

De Mr.H.van Maanenlaan

Bevindt zich in de buitenwijken,

Nochtans gemaklijk te bereiken

Van 't punt waar mijn' kantoren staan

(Schoon midden in de stad gelegen)

Vermits een aantal asphaltwegen,

Omzoomd van fraaien villabouw

U aangenaam van alle zijden

Naar de van Maanenlaan geleiden,

De woonsteê van mij en mevrouw.

Zoo is ons 't stadsgenot gegeven

Tezamen met het buitenleven.

De dagelijksche werkzaamheden.

..............................

Deel dit artikel