Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Fred Bornsteins novellen, of de eeuwige ambivalentie tussen Israël en Nederland

Cultuur

ANITA LÿWENHARDT

Review

Fred Bornstein: 'Kaltwasser', uitg. Ambo, Baarn. Prijs ¿ 29,90.

De drie novellen spelen in Israël, waar Bornstein zeven jaar woonde. In deze verhalen worstelt hoofdpersoon Albert met de chaotische Israëlische samenleving en met een keur van nogal vreemde exponenten daarvan. Die zijn levendig beschreven, maar van de hoofdrolspeler komt de lezer weinig te weten. “Albert is een afsplitsing van mezelf, maar ik vind het inderdaad heel moeilijk om over mezelf te schrijven”, erkent Bornstein.

Hij werd in 1940 in Amsterdam geboren in een gezin waar de joodse en jiddische cultuur zeer belangrijk werden geacht, maar religie en zionisme werden afgewezen. Wel moest Fred van zijn ouders naar joodse les bij de orthodox joodse gemeente. “Vreselijk vond ik dat. Ik schaamde me dood.”

Desondanks besloot hij op z'n dertiende Bar Mitswa (officieel kerkelijk meerderjarig) te worden. “Waarom weet ik eigenlijk niet. Ik denk dat ik één dag 'vroom' ben geweest. Mijn vader vond het ook raar dat ik dat wilde, maar ook wel een beetje leuk, omdat hij zelf orthodox was opgevoed.”

De enige echte passie van de jonge Fred was voetballen en dat was niet te combineren met 'vroom' zijn en ook niet met de cultuur van het Amsterdamse Barlaeus Gymnasium. “Voetballen dééd je niet en dus heb ik het op m'n veertiende laten schieten. Achteraf heb ik er spijt van dat ik geen echte voetballer ben geworden.”

In plaats van een voetbalcarrière besloot hij al snel, onder invloed van de wiskundedocent, om wiskunde te gaan studeren. Dat gebeurde aan de Universiteit van Amsterdam. “Die studie viel echter vreselijk tegen. Harstikke moeilijk, vreselijk droog en vreselijk eenzaam, omdat je er met niemand over kon praten. En het duurde allemaal zo lang.”

Hij studeerde af en gaf een tijdje les op de laboratoriumschool van de Hoogovens en kwam toen, als statisticus, terecht bij het Psychologisch laboratorium van de Universiteit van Amsterdam. “Dat was heel leuk, omdat elke onderzoeker van de statisticus wil dat die zijn stellingen bewijst.”

Ambivalentie

Maar Israël trok. Steeds sterker. “Ik wilde eigenlijk al heel lang naar Israël en in 1972 ben ik gegaan, na de Zesdaagse oorlog (1967) en vóór de Jom Kippoer-oorlog (1973). Ja, ik was absoluut van plan daar te blijven. Ik was misschien wel anti-Israël, maar ook gewoon puur zionistisch. Dat kan heel goed samengaan, want natuurlijk was ik ook pro Israël, maar tegen al dat zionistische gedoe.” Een mooie illustratie van de ambivalente gevoelens waarmee heel veel joden buiten Israël worstelen.

Tijdens de Zesdaagse oorlog gaf hij zich al op als vrijwilliger, “maar ze waren niet geïnteresseerd. Ik denk wel dat die oorlog een extra stoot gaf aan mijn besluit naar Israël te emigreren. Dus heb ik alle schepen achter me verbrand, m'n mooie baan opgegeven en ben ik gegaan.”

In het titelverhaal 'Kaltwasser' en in 'De Olijfberg' beschrijft Bornstein Alberts moeizame zoektocht naar een baan en de - soms hilarische - problemen die hij op twee werkplekken (bij een onderwijsproject en op een ministerie) ondervindt.

“Het was inderdaad vreselijk moeilijk om een baan te vinden, maar tenslotte ben ik nog vrij goed terechtgekomen. Mijn eerste baan had ik ook in werkelijkheid als statisticus bij een onderwijsproject, maar zo'n chaos als in 'Kaltwasser' was het daar nou ook weer niet. Niet meer dan in Israël als geheel.”

“In Nederland is alles geregeld. Je spreekt met iemand een tijdstip af en die is er dan ook. In Israël niet. Daar heeft niemand zelfs een agenda. Daarom werken bedrijven en ministeries ook niet zo goed. Na dat onderwijsproject kreeg ik vreselijk leuk werk aan de medische faculteit van de universiteit van Jeruzalem en gaf ik ook colleges statistiek.”

Ook de taal was in het begin een probleem. “Het heeft me zeker drie jaar gekost voor ik het Ivriet beheerste. Eigenlijk lukte dat pas echt goed toen ik na drie, vier jaar een Israëlische leerde kennen met wie ik later trouwde. Daardoor veranderde alles, kwam ik in een Israëlisch milieu terecht en sprak ik de hele dag Hebreeuws.”

Het laatste verhaal van zijn bundel gaat over de trouwerij van de Nederlandse Albert en de Israëlische Aviva. Een bruiloft die de mist dreigt in te gaan door toedoen van een Lelijke Eend en vooral van de militaire politie die de dienstplichtige Albert komt halen.

“In Israël moet je in het leger en daar sta ik ook absoluut achter, maar leuk vond ik het niet. Ik was 35 en werd, samen met andere academici van die leeftijd - vooral Russen - gedrild door een sergeantje van 20. Ik vond het heel zwaar, maar wel interessant met al die Russen uit streken als de Oekraïne.”

Na de versnelde recrutentijd van ruim drie maanden ging Bornstein terug naar de universiteit. “Na de moeilijke begintijd in Israël had ik het toen eigenlijk heel leuk, vooral doordat ik in dat Israëlische milieu terecht was gekomen. Ik was getrouwd. Mijn vrouw werkte ook. We woonden in het mooie Jeruzalem en ik had een leuke baan. Het enige was dat we vreselijk weinig verdienden.”

“Ik zei toen: als we nu eens een jaar naar Nederland gaan. Daar ga ik heel veel geld verdienen en dan gaan we weer terug. Mijn vrouw vond het wel interessant, omdat Nederland, het 'westen', voor de meeste Israëliërs iets is als het walhalla. Alleen al het feit dat je dan ergens woont vanwaar je overal naar toe kunt...”

“We zijn dus voor één jaar gegaan, onze dochter was precies twee maanden en toen voor twee jaar en als je dan nog langer blijft, ga je niet meer terug. Terugkomen in Nederland was wel een schok voor mij. Na zeven jaar had ik geen feeling meer met het oude milieu. Ik kon zelfs de krant niet meer 'lezen'. Natuurlijk was ik zelf ook veranderd, had in het leger gezeten en zo. Daarbij kwam dat ik toch een beetje spijt van m'n beslissing had - toch ook een gevoel van verraad tegenover Israël. Ook voor mijn vrouw was het bepaald niet makkelijk, ondanks het feit dat ze heel snel Nederlands leerde. Zij is zeer taalbegaafd.”

Fred Bornstein verdiepte zich hier in de automatisering, “want daar werkten de mensen die, zeker in vergelijking met Israël, veel geld verdienden.” Hij kwam eerst bij een software-bedrijf terecht, daarna bij de PTT. “En sindsdien, nu alweer een jaar of elf, werk ik bij de Universiteit van Leiden, in de automatisering, bij de ondersteunende afdeling voor het college van bestuur.”

Na zeventien jaar terug-in-Nederland is de ambivalentie ten opzichte van Israël gebleven. “Op dit moment wil ik er niet naar toe, maar na m'n pensionering kan ik me heel goed voorstellen dat ik dat wél wil. Mijn vrouw en dochter gaan twee keer per jaar naar familie, maar ik ben al tien jaar niet meer in Israël geweest. Waarom, weet ik eigenlijk niet. Misschien uit een gevoel van schaamte dat ik ben weggegaan.”

Deel dit artikel