Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Fatum, Fortuna of God

Cultuur

Marinus de Baar

Review

Worden wij door het Toeval, door het Noodlot of door de alwetende Goddelijke Voorzienigheid geregeerd? En wat hebben we zelf nog te zeggen? In de Nederlandse Gouden Eeuw bevochten theologen, met hun achterbannen van gewone mensen, elkaar over zulke vragen tot op het schavot. De grote dramaschrijvers Hooft, Bredero en Vondel konden er ook niet omheen. Het theater blijkt een bruikbare spiegel voor wie een beeld zoekt van hoe de Nederlanders toen dachten over hun bestaan.

In het treurspel 'Medea' (1667) van Jan Vos vloeit er nogal wat bloed. Medea heeft Jason geholpen het gulden vlies te veroveren, trouwt met hem, en wordt vervolgens door hem in de steek gelaten. Dat geeft stof tot wraak en maakt van het treurspel 'Medea' 'een orgie van bloeddorst'.

Een andere vrouw die door Jason is bedrogen, Hypsipyle, neemt zich voor Jasons huid af te stropen en er een bruidskleed voor zijn nieuwe geliefde van te maken, opgesmukt met halssieraden die van Jasons uitgerukte darmen zijn gewrocht. Het werd door Vos allemaal realistisch ten tonele gebracht onder het motto: ,,Het zien gaat voor 't zeggen.''

Hypsipyle laat in de strijd met Jason het leven en komt voor de rechters van de onderwereld. Zij verdedigt haar gruweldaden met een beroep op het Noodlot (Fatum): ,,Het moorden was my zelf van 't Noodtlot streng belast: Geen mensch hadt macht om dit besluit te rug te zetten.

Het Noodlot bindt den mensch aan diamante wetten.''

Hypsipyle treft dus geen schuld want zij was slechts de uitvoerster van het Noodlot. Haar rechters overleggen en beseffen dat als zij Hypsipyle naar de hel zouden sturen, deze haar lotgenoten daar zou wijsmaken dat ze ten onrechte verdoemd waren. Dan zou te vrezen zijn voor een opstand in de hel. Daarom staan de rechters aan Hypsipyle toe het veld der gelukzaligen te betreden: ,,Wie wijs wil rechten moet bywijlen reklijk zijn.''

Het Fatum of Noodlot bepaalt de loop der dingen in een onverbrekelijke keten van oorzaken en gevolgen. Tegen het Noodlot kan men zich niet verzetten. Dat impliceert een gedetermineerd wereldbeeld waarin geen vrije wil bestaat, waarin bijgevolg geen verantwoordelijkheid en geen moraal kan bestaan. Bovendien is de noodlotsgedachte in strijd met de vrije wil van God. Jan Vos kon het ten tonele voeren omdat de toeschouwers wel wisten dat het slechts gedramatiseerde mythologie betrof en dat hun wereld werd bestuurd door een welwillende Voorzienigheid die uiteindelijk het goede beloont en het kwade straft.

Hoe zit het dan met Fortuna, de heidense godin van het toeval? Ook die speelt een rol in de 17de-eeuwse dramatiek, bijvoorbeeld bij Hooft en Bredero. Klassiek is de voorstelling van het rad van Fortuin, dat de wisselingen van voor- en tegenspoed verbeeldt.

Fortuna staat niet voor geluk (zoals het tegenwoordige begrip 'fortuin'), maar voor toeval en wisselvalligheid. Bij Hooft en Bredero lijkt het leven onbestendig, rijzen mensen tot macht en vervallen koningen tot slavernij, ontpoppen vrienden zich tot vijanden en ontwikkelen antagonisten zich tot bondgenoten.

De stof van hun drama's, rondom de belegering en val van Troje bijvoorbeeld, gaf ruimte aan overwinning en ondergang, geluk en tegenspoed, kortom aan de grillen van het leven. Bredero's bekendste uitspraak 'het kan verkeren' krijgt in dit licht meer reliëf.

Maar een werkelijkheid die door het redeloze toeval of het lot wordt geregeerd is even weinig aantrekkelijk als een wereld die door het Noodlot wordt beheerst. De figuren van Hooft en Bredero redden zich uit rampen en tegenslagen door een stoïcijnse ethiek van berusting en standvastigheid. Als Fortuna geluk brengt, is matigheid geboden; brengt zij tegenspoed dan is innerlijke kracht vereist.

Daarbij konden Hooft en Bredero zich beroepen op een neostoïcijns werk van Justus Lipsius (Vlaams kenner van de klassieken, later hoogleraar in Leiden) uit 1584 'Over standvastigheid bij algemene rampspoed': ,,Licht ghy verslaghen? De Stantvasticheyt sal u weder opheffen. Struyckelt ghy? Sy sal u ophouden (overeind houden). Loopt ghy door wanhope totten bast (strop) oft totten vloet? Sy sal u vertroosten ende van des doots dorpel wederhalen.'' Zo is men 'gherust, in t'midden van alle baren'.

Fatum en Fortuna hebben gemeenschappelijk dat zij een veelal negatief wereldbeeld bieden. Maar zij sluiten elkaar over en weer uit in hun verklaring van de werkelijkheid: Noodlot en noodzakelijkheid staan geen toeval toe; het toeval is per definitie niet noodzakelijk. Beide staan haaks op het idee dat de werkelijkheid door de Providentia Dei, de goddelijke Voorzienigheid, wordt bepaald. Want die Voorzienigheid is redelijk en welwillend en biedt als zodanig een optimistisch wereldbeeld, waarin bovendien vrijheid en verantwoordelijkheid bestaan.

Tussen Fatum, Fortuna en Providentia Dei bestaat dus spanning. Jan Konst (hoogleraar Nederlandse Letterkunde aan de Freie Universitüt van Berlijn) heeft dat heel goed uitgewerkt. Het blijkt dat die spanning, die Hooft en Bredero ook onderkenden, kon worden verminderd met een beroep op de argumenten in 'De Vertroosting van de Filosofie', een boek van de neoplatonist Boëthius (geschreven rond 520), dat ook in de zestiende eeuw nog populair was, en door de beroemde Coornhert twee keer werd vertaald.

Boëthius redeneert als volgt: als mijn leven een samenloop van toevalligheden en lotgevallen lijkt, dan is het God die mij beproeft of straft, beloont of bespaart, in Zijn wijsheid en redelijkheid die voor mij ondoorgrondelijk is. En zo wordt, laat Konst zien, Fortuna 'de uitvoerende macht van de Providentia Dei', van de voorzienigheid. En als mijn leven een aaneenschakeling lijkt van noodlottigheden dan moeten we begrijpen dat het de tenuitvoerlegging betreft van Zijn vooraf getroffen wilsbeschikkingen.

Ook de eerder genoemde Lipsius definieerde het Noodlot als 'het aan de beweeglijke dingen inherente, onbeweeglijke besluit der Voorzienigheid, dat ieder ding op zijn beurt, plaats en tijd, gewis in vervulling doet gaan'.

De grootste verdienste van Konst is het dat hij in zijn boek een brug heeft geslagen tussen wereldbeschouwing en schouwburg, denken en drama. Konst biedt ons een hoogst interessante blik achter de coulissen van het 17de-eeuwse toneel. Hij heeft zijn citaten goed gekozen, geeft heldere analyses en verklaart veel betreffende dragende thema's van de dramatiek.

Aan Vondel besteedt hij veel bladzijden. Maar bij deze dramadichter is er geen rol van betekenis weggelegd voor Fatum en Fortuna. Dat komt omdat Vondel alles uitsluitend toeschrijft aan de Goddelijke Voorzienigheid. Daarom komt de spanning tussen toeval, noodlot en Voorzienigheid bij hem dan ook minder goed over het voetlicht. Maar dat kan men Konst niet verwijten. Bovendien: ,,Wie wijs wil rechten moet bywijlen reklijk zijn''.

Deel dit artikel