Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Eva Gerlach, 'Wat zoekraakt' Allerlei soorten hachje

Cultuur

T. VAN DEEL

Review

Eva Gerlach, 'Wat zoekraakt', uitg. De Arbeiderspers, 46 blz. - f 29,90.

Zij is een heel zintuiglijke dichter, die bij voorkeur wil kijken, goed kijken. Niet zelden is haar vertrekpunt een foto of beschrijft ze datgene wat ze ziet in zodanige termen dat we erbij aan een foto moeten denken. Laatst schreef ze in in het tijdschrift Raster dat er naar haar gevoel weinig verschil is tussen het dichten over iets dat in werkelijkheid is waargenomen en dichten naar aanleiding van een foto. Het komt er in beide gevallen op neer dat de dichter reageert op een beeld en zich afvraagt waarom het haar treft, wat het verbergt.

Een goed voorbeeld daarvan is het gedicht 'Kracht 9' uit haar nieuwe bundel 'Wat zoekraakt'. Het is een van de vele natuurgedichten van Gerlach, waarin zij zich probeert in te leven in een dier:

In de storm zwom een meerkoet plat naar de kant, een waterrat dachten we maar hij klom rechtop het weiland in met zijn takkige voeten onder zijn ronde buik. Waarom hij er uit moest vroeg ik me later wel af, waarom moest hij zo nodig zijn onbeschermde emoe-achtige land- lopersbuik in de wind. En dat hij niet weg-, er hoogstens hier en daar een veer opwaaide.

Het antwoord op de vraag blijft uit, vanzelfsprekend, maar het beeld van de meerkoet die het in zijn hoofd krijgt bij zware storm aan land te klimmen en daar hoegenaamd geen last van de wind lijkt te ondervinden, is op zichzelf mooi genoeg.

De eerste afdeling handelt voornamelijk over herinnering en beweging. Wat het laatste betreft: er schiet, hoogst komisch, een wielrenner voorbij 'zo hard dat wij hem bijna niet zagen', een man die in de verte bijna doorzichtig is, 'dunner en dunner van steeds zichzelf in te halen'. Een vijfdelige reeks, naar aanleiding van foto's paradoxaal genoeg, heet met zoveel woorden 'Over beweging'. De herinnering heeft natuurlijk veel te maken met het feit dat alles voortdurend in beweging is, vandaar dat in het gedicht 'Is wat je ziet' de vraag wordt gesteld of de reiger die je je herinnert 'van zoeven bij de sloot, gebogen / als een veiligheidsspeld naar de sluiting' dezelfde is als 'de reiger gestrekt in de lucht':

Hoe lang kun je doorgaan te zeggen hoe het was en dat het er was zonder te zeggen dat het vertelde zich opneemt en wegvliegt over de sloot en de vorm van de wereld neemt toe

De tweede afdeling begint met het titelgedicht, 'Wat zoekraakt' en daaruit blijkt al meteen dat herinneren, verdwijnen, veranderen, doodgaan bij Gerlach een samenhangend complex van noties is. Er is sprake van een kaart in het hoofd, waarop precies op ware grootte de dingen in huis of van het eigen lichaam zijn opgetekend. Maar als je er niet meer woont en het lichaam in de tijd veranderd is, blijft er het verschil over 'tussen een op miljoen en ware grootte'. En iets is geheel zoekgeraakt als 'er geen herinnering om wil'.

Een ander gedicht, 'Verdwaald', beschrijft hoe nerveus een gedesorienteerde hond op zoek is naar vertrouwde luchtjes die hem weer op het spoor terug zouden kunnen brengen, zodat hij 'in de bedoelde / omgekeerde volgorde (...) / gewoon van geur naar geur naar huis zou lopen'. 'Gelegenheid' beschrijft de dood van een sportvisser, in het harnas gestorven. Prachtig wordt de begrafenisstoet begeleid door een wolk muggen:

(...) Tussen de bomen vlogen muggen omhoog en omlaag, aldoor dezelfde afstand en nooit verderop alsof ze stuiterden, bijna doorzichtig in het kale zuinige licht van half oktober.

Over dochters, en niet voor het eerst in haar werk, gaat het in de laatste afdeling. Ze worden op de kermis rondgeslingerd in zo'n veelarmig toestel, hier 'De Polyp' geheten, en als zij er ten slotte uit komen, zitten 'hun botjes / anders in hun andere lichamen'. Een dochter loopt door de regen naar school, een dochter klapt rijdend op de fiets twee keer in haar handen en vraagt of ze het nog eens zal doen. Een schitterend beeld en een niet minder sublieme verwoording weet Gerlach te vinden voor haar besef dat er in het al wat oudere kind zoveel eerdere, nu al zoekgeraakte lichamen zitten opgeborgen:

hoe daar als Russische poppetjes allerlei soorten hachje in opgeborgen liggen, tot haar geboorte.

Van de dochtergedichten springt er voor mij eentje uit: het vierde gedicht van de reeks 'Doorschijnend lichaam'. Het laat zien met hoe weinig woorden Gerlach een situatie kan typeren en hoe sterk zij in details is. Deze scene is door dit gedicht in elk geval voor het grote zoekraken behoed.

Daar staat zij pieken kletsnat om haar hoofd vol nieuwe voortanden en zij lacht want ze heeft de weddenschap gewonnen, nacht goed aan in 2 minuten. Danst en springt, er moet weer ijs gekocht, kijkt hoe ik kijk legt haar slordige hoofd op mijn buik, 'stil doe nou het licht maar uit ik wil een droom gaan dromen die ik op school heb bedacht.'


Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden

Deel dit artikel