Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

EEN SCHRIJVER OP DE VLUCHT KEERT OOIT TERUG NAAR HUIS

Cultuur

FRITS VAN EXTER

Review

'De adelaars', verhalen van Kader Abdolah, uitgeverij De Geus, f 25,-.

In zijn eigen land was hij iemand: nakomeling van een groot Perzisch schrijver, natuurkundige, directeur van een fabriek, kenner van de wereldliteratuur en schrijver. Het was een droom voor Kader Abdolah om schrijver te worden. In zijn land ontmoette zo'n streven veel waardering. Een schrijver is een heilig man. En het was vanzelfsprekend dat de schrijver het volk toebehoorde. Hij moest hun pijn en hun hoop verwoorden. “In een dictatuur is het papier gedoopt in de politiek.”

Kader Abdolah leefde jarenlang ondergronds. In twee clandestiene verhalenbundels legde hij het lot vast van het Koerdische volk onder de terreur van Khomeini. Zijn droom een schrijver-strijder te zijn leek uit te komen. “Maar alles ging mis.” Hij werd ontdekt.

In 1985 moest hij vluchten en drie jaar later belandde hij in Nederland. Het was geen keuze; de Verenigde Naties hadden het zo bepaald. Kader Abdolah was 33 jaar en dacht dat aan zijn leven, zijn schrijven, een abrupt einde was gekomen. “Het was een val.” Cees Nooteboom heeft het Nederlands een 'geheime taal' genoemd. Voor Kader Abdolah was het een vijandige taal. “De Nederlandse woorden bedreigden mij. Ik voelde: jij bent geen schrijver meer. Een timmerman kan timmeren. Maar jij bent nutteloos, jij bent niemand.”

Nu ligt zijn boek in de winkel. Hij heeft 'De adelaars' in het Nederlands geschreven. De recensies zijn vol lof. Hij is op de televisie geweest, op de radio en in de krant. in het Literaire Cafe in zijn woonplaats Zwolle hangt zijn foto tussen de portretten van Nederlandse schrijvers.

Het is zijn triomf. Kader Abdolah heeft niet alleen de taal bedwongen, maar ook de krachten die hem het leven dreigden te ontnemen. De strijd met het vijandige Nederlands was eigenlijk zijn redding. Zijn leven was zo zwaar geweest, dat hij niet zomaar in zijn nieuwe land een lichter bestaan kon verdragen; een huis, een uitkering en veel te veel tijd voor heimwee. “De dood was te klein in mijn land. Ik had haar vele malen in de ogen gezien. Ik had mijn broer met mijn eigen handen begraven.” De leegte na de vlucht was overweldigend. “Mijn lichaam vroeg iets om mee te worstelen. Het gevecht met de Nederlandse taal gaf mij zuurstof.” Hij heroverde zijn schrijverschap.

Het leek aanvankelijk hopeloos. Op een van zijn 'sombere dagen' wilde hij zekerheid. Zoals hij had getwijfeld of er vogels vliegen, wilde hij weten of er in dit 'vochtige, kleine landje' schrijvers konden bestaan. Kader Abdolah liep de bibliotheek binnen in Apeldoorn, waar hij in het opvangcentrum wachtte op een bestemming. Hij vroeg wie de beste Nederlandse schrijver was. De vrouw in de bibliotheek wees naar een rij boeken in de kast: Mulisch. Hij nam het dikste boek, bladerde erin en zette het terug. Hij nam het dunste boek en deed hetzelfde. “Nee ik zal in dit land niets kunnen betekenen,” dacht hij. De taal leek te vijandig.

Een ingeving redde hem. Wie is de beste schrijver van kinderboeken? “En zij wees mij naar de boeken van een oude oma. Ik pakte er een en bladerde erin. Ik geloof niet in een lot, maar toen bedacht ik me dat mijn lot, mijn leven verbonden is met de Nederlandse taal.” Hij vatte moed. 'Otje' van Annie M. G. Schmidt moest het begin van de strijd zijn. “Ik las woord voor woord, het duurde maanden.” Hij zag als schrijver niets in een taalcursus, maar omringde zich met woordenboeken en ging al zijn buren af op zoek naar de betekenis van woorden. “Toen ik het uit had, rende ik meteen naar Mulisch. Ik las en ik las, tot ik gedichten van Rutger Kopland tegenkwam. Ik wist nog niet dat ik weer zou schrijven, maar ik zag bij hem dat je met die vreemde woorden ook kon toveren. Ik dacht: ik moet ook gaan toveren.

Hij las door, dag en nacht. “Het was verschrikkelijk de eerste jaren.” Kader Abdolah wilde vooral zijn tijdgenoten leren kennen: Marcel Moring, Margriet de Moor, Hermine de Graaff. Waar waren zij mee bezig? Hij studeerde zelfs enige tijd letteren in Utrecht, maar hij verliet de collegebanken weer omdat hij haast had. “Ik wilde jullie leren kennen.” Daarom ging hij werken. Eerst tussen dode vogels in het natuurmuseum, daarna in de fabriek waar voedsel in glazen potten wordt gedaan. “Het was een prachtige mogelijkheid voor mij. Een schrijver op de vlucht kan als arbeider werken. Dat is voor Mulisch en andere schrijvers uitgesloten.” Het werk hielp hem staande te blijven.

De wil groeide in het Nederlands te schrijven. Hij besefte dat het nooit zijn moedertaal kon worden. De achterstand was te groot. “Maar ik had iets anders: tien jaar oorlog, twee dictaturen, tien, twaalf jaar ondergronds, dood, vlucht, pijn, heimwee. Ik moest daarmee de achterstand goed maken. Ik hoef geen thema's te zoeken. Zij stromen over uit een natuurlijke bron. Ik moet mijn eigen pad lopen. Ik ben een schrijver op de vlucht.”

Kader Abdolah schreef eerst nog in het Perzisch. “Maar op een gegeven moment kon ik niet meer. Mijn pen stopte. Wat betekent het om te schrijven als je je verhalen in een bureaula moet bewaren? Ik kan mijn verleden niet verwerken in het Perzisch. De personages in mijn verhalen lieten me niet los. Ze vroegen hun onafhankelijkheid. Zij wilden naar de lezers toe. Ik had geen lezers. Ik had veel meegemaakt. Ik moest het iemand vertellen. Wie ben ik, wat heb ik meegemaakt, wat hebben ze met ons gedaan? ”

Hij moest het zijn buurman kunnen vertellen en niet alleen om zijn eigen verdriet. “Toen we mijn broer moesten begraven, mocht niemand mijn moeder horen huilen. Wij waren niet de enigen. Honderden, duizenden moeders durven niet naar het graf van hun vermoorde kinderen te gaan om te huilen. Ik dacht: ik kan in Nederland huilen. Ik zal door de ogen van onze moeders huilen.”

“Wij hadden mijn broer in het geheim begraven. In Nederland droeg ik steeds zijn lijk op mijn rug. Ik was nog niet los van hem. Hij was nog niet los van mij. Ik dacht dat ik een nieuwe opdracht had, als schrijver op de vlucht. Ik dacht dat ik de doden op mijn eigen manier moest begraven. Ik dacht dat ik de doden een stukje leven moest geven. Ik moest mijn broer opnieuw begraven in de tuin van de Nederlandse literatuur. Ik heb dat gedaan. Ik heb hem een stukje leven teruggegeven.” Zijn broer was altijd in zijn nachtmerries gekomen. “Toen ik het op papier had gezet, kwam hij lachend naar mij toe. Het was los.”

Kader Abdolah wilde zich niet met zijn verleden opsluiten in zijn eigen taal. Hij besefte tussen twee werelden te verkeren. “Ik sta met beide voeten op de harde, vochtige grond van Nederland, maar met mijn hoofd ben ik in de fantasie, in het verleden. Op de vlucht wordt je verleden het heden. Het reist met je mee in je hoofd. Je loopt in een Zwolse straat, maar je wandelt in je jeugd langs je ouderlijk huis. Dat geldt voor iedere vluchteling, maar je moet niet in je verleden blijven. Ik loop in mijn verleden, maar ik probeer er iets nieuws, iets moois van te maken.”

In zijn verhalen komen de twee werelden samen. Hij schrijft niet alleen over de zoektocht naar een rustplaats voor zijn vermoorde broer, maar ook over het zoeken naar een plek voor zichzelf in Nederland. Hij schrijft over andere verdwaalden, over vluchtelingen in het opvangcentrum, over mensen op zijn werk, over vogels boven Iraanse bergen en Nederlandse polders. Het is een verslag van de worsteling met heimwee en vervreemding.

Kader Abdolah werkt nu in het rijksarchief. Hij graaft in de geschiedenis van Overijssel, vastgelegd op perkament en glasplaat. Het boeit hem. Zwolle is nu zijn stad. Hij woont buiten aan de rand met de vrouw uit zijn land en hun kinderen. Hij heeft vrienden. “De taal is niet meer mijn vijand, maar ook nog geen vriend. Elke avond als ik de deur van de studeerkamer dichtdoe is er weer die worsteling.”

Hij spreekt gedreven in korte zinnen, zoals hij schrijft. Elke lettergreep krijgt van hem de tijd waardoor woorden langer worden: 'de Neeeder-land-se taaaal'. Zijn zinnen zingen meer. Hij herhaalt woorden waardoor ze zwaarder worden: “Elke dag wordt de taal meer van mij, van mij, van mij.” Soms vindt hij niet de woorden die hij zoekt. In de vaart van het gesprek legt hij zich daar bij neer, maar nooit als hij schrijft.

De lovende recensies strelen hem. Maar hij heeft ook een zekere achterdocht. Hij beaamt dat zijn beperking zijn kracht is. Maar bedoelen zij daarmee wel wat hij bedoelt? Hij schrijft geen korte zinnen omdat hij buitenlander is, maar “omdat het geen tijd is voor lange zinnen.” Hij schrijft kort omdat er dan meer te raden valt. “Thuis mochten we niet lang praten. Mijn vader praatte heel kort, zodat ik zelf moest bedenken wat hij bedoelde.” Kader Abdolah wil in zijn verhalen iets geheimzinnigs oproepen door veel weg te laten. “Het moet kort, kort, kort.”

Door de beperking moet hij elk woord wegen. Hij laat een manuscript zien. Het bovenste blad is bezaaid met doorhalingen en aantekeningen, soms in het Perzisch, veelal in het Nederlands. Het verhaal schrijft hij vrij snel op zijn computer, maar op zijn scherm staat dan slechts een ruwe steen. “Ik blijf hakken, hakken, hakken, hakken. Vaak is een tekst veertig tot vijftig keer gecorrigeerd voordat het verhaal me loslaat.” Hij zoekt eindeloos naar het juiste woord: liep ik 'voorzichtig' naar de deur of 'behoedzaam' of is dat het ook niet? Hij proeft of Perzische beeldspraak in het Nederlands werkt. Zo heeft hij het over 'oude tranen' en over een vallende vogel 'kop naar beneden en poten naar boven'. Het zijn alledaagse uitdrukkingen die verrassend sterker kunnen worden in de nieuwe taal. Maar sommige prachtige Perzische zinnen blijven vormloos in het Nederlands. “Ik voel wanneer een zin ziek is, niet op eigen benen kan staan. En dan hak ik het weg, weg, weg.”

Hij is blij dat hij herkend is als schrijver van moderne sprookjes. Maar hij vraagt zich af of hetgeen hij in beeldspraak en ogenschijnlijk simpele zinnetjes stopt, wel is gezien. Hij wil “met de Perzische traditie op de rug”, iets toevoegen aan de literatuur, maar de recensenten hebben daarover nog geen oordeel uitgesproken. Misschien hebben ze te veel gedacht aan zijn beperking. “Hij is een buitenlander, hij heeft een Nederlands boek geschreven. Hij beheerst de taal nog niet. Goed gedaan, jochie!” Zijn g's bereiken alle hoeken van het cafe. “Het geeft niks. Zij zullen terugkeren naar mijn boek. Het is een lange weg, maar het komt toch wel. Wij zien elkaar nog. Ik ben geen toevallige bezoeker in de tuin van de Nederlandse literatuur.”

Hij noemt zich Perzisch-Nederlandse schrijver. “Ik ben een schrijver van mijn volk, maar komen jullie ook, Nederlanders. Ik hoop dat er een dag zal komen dat Nederlanders zeggen: Ja, Kader Abdolah is onze schrijver. Ik doe mijn best. Ik heb nog niets gedaan. Een boekje is niets. Het is een vreemd boompje in de tuin van de Nederlandse literatuur. Ik probeer het te laten groeien, dat het zijn eigen schaduw werpt.”

In Zwolle is het carnaval en ramadan tegelijk. Op weg naar het Literaire Cafe leidt Kader Abdolah, met zijn fiets aan de hand, mij de vesting binnen. We passeren vreemd uitgedoste figuren. Hij beschrijft ze in het verhaal over het bezoek van zijn vader aan Nederland. Het was toen ook carnaval. Jongens met maskers van kraaiekoppen en een fakkel in de hand jagen vader en zoon schrik aan. “Vanaf mijn kindertijd kraait er een kraai in mijn geheugen. De kraai zit op een hoge muur en achter hem brandt een fakkel.” Een kraai kondigt bezoek aan. Het was een soenniet, die op het jaarlijkse feest tegen vreemdelingen belaagd werd door sji'ieten. Hij was verdwaald in “een straat van vuur en haat.” Zijn vader ontfermde zich over hem.

Nu zien wij geen kraaiekoppen, maar wel veel boerekielen die op de laatste dag van carnaval wat moeizaam hun weg zoeken naar lokalen vol muziek. Een van hen houdt Kader Abdolah staande. Hoewel de avond nog niet is gevallen, wil hij het licht van zijn fiets controleren. De schrijver laat hem begaan. “Goed zo. Je mag blijven.”

“Later, als we teruggaan naar mijn land,” had hij gezegd, “zal ik veel van de Nederlandse literatuur vertalen.” Hij vertaalt nu al voor de Iraanse gemeenschap in de wereld. “Ik heb iets moois gevonden en ik vind het jammer dat ze dat niet weten.” Gaat hij terug? “Ik ga terug. Dat moet je altijd zeggen. Dat doe ik heel bewust. Maar tegelijkertijd denk ik: nee dat kan niet. Je blijft hangen: ga je terug of niet? De lezers weten het niet, ik weet het niet. Maar ik ga terug.” '

Kader Abdolah noemt dat het geheim en de tragedie van de schrijver op de vlucht. Hij heeft het opgeschreven voor een spreekbeurt en eindigt zo: “Nee, er is geen twijfel. De schrijver gaat terug. De dag zal komen en de schrijver die op de vlucht is zal uiteindelijk naar huis terugkeren.”

“Ik zal eens heel voorzichtig naar het raam van ons ouderlijk huis schuifelen en behoedzaam naar binnen kijken. Ik zal zachtjes tegen de ruit tikken en als mijn moeder het gordijn opzij schuift, roepen: Ik ben het. Ik ben terug.”

Deel dit artikel