Een professor en zijn bakvis in de onderwereld

cultuur

PETER HENK STEENHUIS

Review

De verteller in Geerten Meijsings nieuwste roman, 'Dood meisje', heeft van een charmante vent uit Deventer een vreemd verhaal gehoord over een voormalig hoogleraar filosofie, die bij een escortbureau een bakvis van nog geen achttien op de kop tikt. Het relaas over hun onmogelijke liefde, eindigend met de dood van het meisje, speelt zich grotendeels af rond het Grote Kerkhof van de IJsselstad. Niet dat de verteller ooit in Deventer is geweest, alles is van horen zeggen. ,,Noem mijn verslag een product van roddels en geruchten, voor mijn part mondelinge overlevering, orale traditie - dat klinkt verhevener!'

Wat kan het betekenen dat een verteller - een reizende theatermaker die in het boek nauwelijks een rol speelt - zo sterk benadrukt dat zijn verhaal van ver gehaalde fictie is? Wenst hij zich in te dekken tegen eventuele fouten, uit angst onwaarheid te verkondigen? Dat lijkt onwaarschijnlijk, want de wat oubollige verteller laat ook niet na te herhalen dat het hier om een waargebeurd verhaal gaat. ,,Fictie die de waarheid niet vertellen wil, is de moeite niet waard. (Fictie die de waarheid niet vertellen kán is mislukt).'

Waarschijnlijker is het dat Meijsing zijn verhaal ongrijpbaar probeert te maken. Want het is elke lezer onmiddellijk duidelijk dat tot getuigenis gesmede roddels en geruchten bij herhaalde vertelling gedaanteverwisselingen ondergaan. Personages veranderen van karakter, van naam, van beroep, zonder dat het verhaal per se onwaar wordt. Het gaat deel uitmaken van een orale traditie, het wordt een mythe, een verhaal dat telkens opnieuw werkelijkheid moet worden.

Dit uitgangspunt behoort tot de essentie van Meijsings schrijverschap, dat gekenmerkt wordt door metamorfosen. De schrijver debuteerde in 1975 als Joyce & Co, schreef in 1981 onder de naam Eefje Wijnberg de roman 'Een meisjesleven' en heeft inmiddels een flink oeuvre op eigen naam staan.

De laatste jaren zijn het uitsluitend nog de personages die van gedaante veranderen. In 'Dood meisje' is de opmerkelijkste van hen Hovenier, de uitgerangeerde hoogleraar in ,,het neopythagoreïsche onderzoek naar de presocratische en postplatoonse bronnen van Plato'. Hij speelde ook al een belangrijke rol in Meijsings hoogdravende geschrift 'De ongeschreven leer'(1995).

Maar binnen de roman 'Dood meisje' vinden eveneens metamorfoses plaats, letterlijke en figuurlijke. Toen de professor op het punt stond Plato's ongeschreven leer te ontraadselen, hebben mededingers een aanslag op hem gepleegd. Drie maanden ligt Hovenier in coma: ,,Ik ben niet dood, meen ik, maar leven doe ik ook niet. Een kreeftengang, het lijkt erop dat ik de omgekeerde weg bewandel, van dood naar niet-dood.'

Om te ontvluchten aan zijn belagers wisselt hij van ziekenhuisbed met een onderkoelde zwerver die geruisloos de geest geeft en onder Hoveniers naam begraven wordt. Teruggekeerd uit het dodenrijk, beroofd van zijn papieren, gaat de professor verder door het leven als Gardenier. Zijn saaie bestaan in Deventer wordt slechts af en toe opgefrist door een gezelschapsdame.

Totdat hij op zekere avond een meisje bestelde, dat zich voorstelde als Lily, maar eveneens kameleontische trekken vertoont: ,,Omdat ik voor jou Lily ben, zoals ik ook heet, of je dat nu gelooft of niet, heb ik als werktitel Roxanne aangenomen.'

Hovenier raakt verslingerd aan haar ,,Venetiaanse krulletjes tot in haar nek', aan haar stem die ,,klokte als wijn in het glas', aan haar ,,winnende blik,' en aan haar volle lippen die gulzig uiteenweken in een ,,klaterende lach'. Deze dik aangezette beschrijving is eerder regel dan uitzondering.

Wanneer het meisje zich ook aan hem vastklampt, alsof Hovenier de laatste persoon op aarde was die iets om haar gaf, begint het verhaal over de relatie van een oude bok en een briljante bakvis. Een verhaal dat een werkelijkheid wil oproepen die verwant is aan de mythe van Orpheus, de roemrijke zanger die zijn geliefde Eurydice uit de onderwereld tracht terug te halen - die haar dus de omgekeerde weg wil laten bewandelen, van dood naar niet-dood.

Ondanks alle literaire trucs blaast Meijsing de mythe weinig nieuw leven in. Dat ligt niet eens zozeer aan de feitelijke inhoud van 'Dood meisje'. Meijsing maakt aannemelijk dat Lily en Hovenier, beiden verschoppelingen van de samenleving, tot elkaar veroordeeld zijn. Ook is het niet verwonderlijk dat de Brink van Deventer Lily minder bekoort dan het Amsterdamse Leidseplein. Het meisje vervalt in oude gewoontes, raakt aan de drugs, en verdwijnt naar het Duitse Neurenberg, dat gezien de rol die de plaats in de geschiedenis inneemt prima kan functioneren als onderwereld. Zeker als er ook nog eens een luguber sujet opduikt in gezelschap van een enge rottweiler; een overduidelijke verwijzing naar Charon, de veerman die samen met zijn hond Cherberus doden over de rivier de Lethe zet, waarna de schepelingen aankomen in de Hades.

Zoals Orpheus er in de mythe bijna in slaagt zijn geliefde terug te voeren naar het rijk der levenden, zo lukt het Hovenier zijn meisje te bevrijden uit de wereld van seks en drugs. Maar helaas, de redder wordt gezien als verrader, de liefde is verloren.

Het is vooral de vorm die belemmert dat Meijsings verhaal een mythe wordt die werkelijk waargebeurd zou kunnen zijn. Meijsing is te aanwezig: als literator spreekt hij in een hoogdravende, klassiek decadente stijl, die zwaar op de gebeurtenissen en personages leunt. Als denker loopt hij over van eruditie; alleen al de eindeloze opsommingen van antidepressiva doet je verzuchten dat Meijsing te graag zijn kennis van de psychiatrie wil spuien. Hoezeer Meijsing zich ook wikkelt in verhullende vertellers, nergens weet 'Dood meisje' anoniem te worden, en dus maakt het niet echt deel uit van een orale traditie. Uiteindelijk blijft dit knap gecomponeerde verhaal vastzitten aan zijn schepper. Te vast om vlees te worden en ontroering teweeg te brengen.

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie