Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Een oorlogstijd die eventjes mondig was

Cultuur

BEN VAN KAAM

Review

Jan Bak: Harde koppen, Rechte lijnen Uitgave van Trouw en Kok. 164 blz. Lezers van Trouw kunnen het boek tot 1 maart 1993 bestellen voor f 21,50 (girorekening 91133, t.n.v. Trouw Amsterdam, onder vermelding van 'Harde Koppen'). Na 1 maart kost het boek in de boekhandel f 25.-

Een beetje een cliche is de titel overigens wel. In ieder geval kunnen de Trouw-verspreiders niet tot de meegaande types worden gerekend, voor wier gedrag historici later de term accommodatie' (aanpassing, inschikkelijkheid) zouden introduceren. Ze behoorden tot een jeugd die iets wilde doen. Over deze jongeren uit de bezettingsjaren vooral gaat de studie van Bak, die over enkele jaren hoopt te promoveren op een omvangrijker boek over de geschiedenis van Trouw. 't Werd tijd. Tot dusver was over Trouw niet veel meer beschikbaar dan de afstudeerscriptie, die de Leidse geschiedenishoogleraar Hille de Vries 33 jaar geleden schreef en die acht jaar later, toen Trouw 25 jaar bestond, gepubliceerd werd onder de titel 'Een ophitsend geschrift'. De Vries noemde zijn scriptie indertijd "een bescheiden bijdrage" .

Promotor van Bak wordt dr. G.W. Noomen, hoogleraar communicatie-wetenschap, geen historicus, maar iemand uit de sociale wetenschappen. Dat kan van belang zijn in het begrijpen van wat zich die jaren heeft afgespeeld. In 'Harde koppen, rechte lijnen' beschrijft Bak alvast wat er leefde onder de verzetsjongelui, die eerst Vrij Nederland lieten drukken en verspreiden en later Trouw.

Mannenbroeders

Het boek gaat over veel interessantere zaken. Mij althans boeide vooral de beschrijving van de spanningen in het gereformeerde milieu, die opeens waarneembaar werden toen een jongere generatie de kans kreeg en greep om zich even te laten horen. Want dat was het unieke van die korte periode toen de bevrijding naderde. Voor de oorlog mochten jongeren (en vrouwen) in de hecht georganiseerde gereformeerde wereld niet meepraten. Dat was voorbehouden aan de oudere mannenbroeders. En na de bevrijding werden de traditionele gezagsverhoudingen resoluut hersteld.

Dat in de tussenliggende bezettingsjaren op het gereformeerde erf een machtsvacuum viel, is te sterk uitgedrukt (de predikanten bleven het jonge volk in de gaten houden), maar op het terrein van politiek en pers was de sociale controle ontregeld. Wie om wat voor reden ook onmondig was gehouden, greep nu de opdoemende kansen. Dit waren de jaren van de jongens en de meisjes en van vrouwen als Gesina van der Molen, kortom van allen die in vredestijd van verkeerde leeftijd of geslacht waren voor kansel, kerkeraad of politieke macht.

Niet juist is de gedachte dat deze situatie pas aanbrak op 30 juni 1941 toen Colijn en negentig andere voormannen werden opgepakt. Ver voor deze onthoofding van de A.R.-partij, al in de zomer van 1940, beginnen de jongelui zich te roeren, tot schrik van een niet gering deel van de oudere generatie. In die dagen achtte De Standaard voorlichting op de jeugdverenigingen broodnodig "wil ons jongere geslacht, half verdoofd door wat plaats greep, niet uit zijn evenwicht geraken. Zoo spreekt het vanzelf, dat men zich in de samenkomsten van jongelings- en meisjesverenigingen stipt zal hebben te onthouden van alles wat een Duitsch-vijandige gezindheid zou kunnen doen veronderstellen."

Zo vanzelfsprekend vond het jonge volkje dit evenwel niet. In zijn pas verschenen boek 'Soms moet een mens kleur bekennen' (ook bij Kok) herinnert Johan M. Snoek zich dat zomer 1940 op de jongelingsvereniging in Renkum gevraagd werd wie bereid was met 'Hou en Trou' te colporteren.

Er werden zaterdag 17 augustus 320 exemplaren in Renkum verkocht, noteerde hij in zijn dagboek. "We wisten niet eens dat het een blad was van de Anti-Revolutionaire Partij, schrijft hij, we wisten alleen dat het om een anti-Duits blad ging."

Ongelezen werden door de jongelui krantjes besteld en demonstratief op straat verkocht, als ze maar het idee hadden dat het anti-Duits was. Hou en Trou werd op de markt gebracht vanuit een lokaal initiatief. Niet de A.R.-top nam het initiatief, maar jongelui die niet in hun schulp wensten te kruipen tegenover met Volk en Vaderland colporterende NSB-ers.

Met dit blaadje hadden de jongelui een wapen in handen, waarmee iets demonstratiefs ondernomen kon worden tegen de Duitsers en hun handlangers.

Pamfletten

In die maanden al manifesteerden zich de eerste generatie-spanningen in anti-revolutionair milieu. Jongelui beginnen zomer 1941 op eigen houtje pamfletten te schrijven (Wim Speelman, 21) en zelfs een gestencild blaadje onder de naam Vrij Nederland (Frans Hofker, 20).

Ruwweg (te ruw) laten zich tijdens de bezetting drie generatielagen binnen de gereformeerde wereld onderscheiden.

1. De oudere generatie, vijftigtot zeventig-jarigen, met herinneringen aan het emancipatie-tijdperk van Abraham Kuyper, maatschappelijk opgeklommen onder Colijn. Politiek behoudend. Lijfblad De Standaard. Deze mannen maakten zowel in de jaren dertig als na de bevrijding de dienst uit in kerk en partij. Van deze mannenbroeders-generatie speelde slechts een enkeling een actieve rol in het verzet. Een deel wachtte 'in de schuilkelder' op rustiger tijden, een ander deel kwam op grond van een vooroorlogse functie in het gijzelaarskamp terecht. De enkele oudere, die wel zijn nek uitstak (Jan Schouten is de bekendste) verwierf daarmee een onmetelijk groot gezag.

2. De tussen-generatie, dertigtot veertig-jarigen. Deze levert de leidende verzetsfiguren, maar al vroeg komen tegenover elkaar te staan de 'loyalen aan de zuil' en de 'ontzuilden'. De redactie van Vrij Nederland raakt al in een vroeg stadium in handen van een tussen-generatie ontzuilde gereformeerden (Troost, Van Namen en Van Randwijk), die al vroeg hersteld verbanders en hervormden bij het blad betrekken. Hun nog anti-revolutionaire generatie-genoten zien met lede ogen toe hoe het verzetsblad buiten de vertrouwde sfeer is geraakt.

Bruins Slot is de bekendste representant. Zelf zijn ze loyaal aan de zuil, zij het met een soms kritische instelling jegens Colijn en de vooroorlogse maatschappelijke opvattingen. Deze 'jongeren' maakten - nadat Schouten naar Duitsland was weggevoerd - zelfs tijdelijk de dienst uit in de ondergedoken A.R.-partij. Ook de redactionele leiding van Trouw was in hun handen.

3. De jongere generatie, twintig tot dertig-jarigen. Uit hun gelederen vooral kwam onder andere de verspreidersgroep van eerst Vrij Nederland en daarna van Trouw. De tendenzen tot ontzuiling zijn hier duidelijk aanwezig. Er wordt samengewerkt met hervormden, roomskatholieken en buitenkerkelijken. De gereformeerde wereld wordt als te benauwd ervaren. Ermee breken (de lijn Van Randwijk) gaat de meesten echter te ver. Met een term als 'christelijk nationaal' (samengaan van ARP en CHU, gereformeerden en hervormden) probeert men na de bevrijding vergeefs een ruimer milieu voor zich te scheppen, waarin de dienst niet alleen meer wordt uitgemaakt door gereformeerde, anti-revolutionaire voormannen.

Het is vooral deze laatste generatie die in Baks boekje aan bod komt en dat maakt het zo smakelijk. Er zijn nogal vertekende beelden in omloop van deze jongelui. Mulder en Koedijk beschrijven bijvoorbeeld in hun Van Randwijkbiografie de verspreidersgroep van Vrij Nederland/Trouw als "overwegend godvrezende antirevolutionairen bewonderaars van Colijn en tevreden met de schepping, zoals die voor de komst van de Duitsers was geweest" . Daaruit verklaren ze de breuk eind 1942 met VN. "Wat ze in dat blaadje, waarvoor ze maandelijks hun leven waagden, lazen over de noodzaak tot ingrijpende maatschappijhervormingen na de oorlog, vervulde hen van nummer tot nummer met meer afkeer. Van hen hoefde er na de bevrijding helemaal geen nieuwe maatschappij te komen; de oude was goed genoeg."

Onzin! Van deze schets klopt niet veel als we lezen wat Bak over hen te melden heeft. Mijns inziens had de breuk met Van Randwijk nauwelijks iets te maken met wat deze schreef, maar met diens autoritaire optreden. De zojuist vrijgevochten jongelui dachten er niet over zich te onderwerpen aan het gezag van een nieuw soort ouderling. Wie dat - als vrouw - heel goed kon navoelen was Gesina van der Molen. Vandaar dat bondgenootschap.

Als de oorlogsomstandigheden dwingen tot decentralisatie, ontwikkelt zich bij Trouw een editiestelsel waarop de centrale redactie geen volledige greep meer heeft. Zonder voorafgaand verlof van de voormannen in schuilkelder of gijzelaarskamp of van hun zaakwaarnemers in de Trouw-redactie doen de jongelui nu zelfstandig een duit in het zakje van de opinievorming. Tot het boeiendste deel van Baks boekje behoort de registratie van de geluiden die dan opklinken. Even kreeg men een kans. En die werd ogenblikkelijk gegrepen.

Ook het conflict rond de vraag of en hoe Trouw na de bevrijding moest worden voortgezet, onthult hoe anders de jeugd van 1945 denkt dan de anti-revolutionaire tussengeneratie, die in de redactie de dienst uitmaakt. Een ding staat vast: tot de verspreidersgroep behoren ook hervormden, christelijk-historischen, rooms-katholieken en buitenkerkelijken. Trouw mag daarom geen anti-revolutionair partijblad worden. Vertrouwen in de oudere verzetsmensen heeft de jeugd nog wel, maar de oudere generatie mannenbroeders,

wie zij niet hoefden aan te kloppen toen het erop aankwam en die zich in woord en geschrift zelfs laatdunkend over hen uitliet, heeft elk gezag bij hen verspeeld.

Na de bevrijding zit de Trouw-redactie bekneld tussen twee elkaar weinig gezinde generaties. Doeko Bosscher heeft daaraan enkele boeiende pagina's gewijd in zijn studie 'Om de erfenis van Colijn'. Laatdunkend wordt in het moderamen van het centraal comite van de weer boven water gekomen anti-revolutionaire partij gepraat over de sfeer van de illegaliteit en de verkeerde illegale mentaliteit, maar toch riskeren de oude heren geen conflict met Jan Schouten, die net teruggekeerd uit het concentratiekamp, wil dat ook 'jongeren' als Bruins Slot en Smallenbroek meepraten in de partijleiding. De wijze waarop Schouten voor de tussengeneratie opkomt, geeft evenwel te denken.

"De mensen die het verzet hebben geleid" , zegt Schouten, "hebben nu eenmaal een rol gespeeld en kunnen daarom niet maar op eens abdiceeren. Aan de illegaliteit moet een einde komen en dat liefst zoo spoedig mogelijk. Maar met een enkel machtswoord is dat niet te bereiken. De liquidatie vordert tijd (...) De heeren Bruins Slot en Smallenbroek (de jongeren van Trouw) zijn overigens zelf ook van meening dat de illegaliteit zoo spoedig mogelijk als het kan een einde moet nemen. Door hun jeugd draven ze wel eens door. Maar het is onbillijk van hen te verlangen de staatsmanswijsheid van een reeds ervaren man. Hun geestelijke ligging is goed en dat beteekent veel."

Rebelse gedachten

En zo mocht deze geestelijk nog niet geheel gerijpte generatie van tussen de 30 en 40 jaar ook een duit in het zakje doen. Bij de voorbereiding van het Trouw-jubileum 25 jaar geleden vroeg ik Bruins Slot, Smallenbroek en Van Ruller of ze nooit overwogen hadden de oudere heren aan de kant te schuiven en zich regelrecht tot de kiezers te wenden. "Dat kwam niet in ons op" , was het antwoord. Alleen al de eerbied voor Jan Schouten verhinderde dit soort rebelse gedachten.

Verbijsterend snel werden overal, ook binnen de gereformeerde zuil, de vooroorlogse machtsverhoudingen hersteld. Omdat iedereen zich jubelend met oranje tooide, viel het niet zo op, maar met name de verzetsjeugd was onthutst. Opeens was zij weer onmondig. Velen begrepen alras dat men bij sollicitaties maar beter niet over deze periode kon reppen, want menig werkgever met een accomodatie-verleden had zo zijn eigen gedachten over 'losgeslagen jongeren'. Wie niet aan de bak kwam, kon altijd nog 'Indie bevrijden' of emigreren. Er is veel bitterheid ongeregistreerd gebleven. Baks boekje is een opstapje naar een studie, die deze generatie recht kan doen.

Deel dit artikel