Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Een Frans dorp in betere tijden

Cultuur

Arjan Terpstra

Review

Van 1961 tot 1991 zorgde een Nederlandse pastoor voor leven in het dorpje Jeantes in het Noord-Franse Picardië: Piet Suasso de Lima de Prado deed dingen met hosties waar nu nog over wordt gepraat. De boeiende pastoor dient als kapstok in een gelaagd verhaal van Martin Sommer. Over de zwakke en sterke kanten van de dorpsgeschiedenis als zodanig, over het verschil tussen journalistiek en geschiedenis, over het dorpse Frankrijk dat verdwijnt.

Wat moeten wij weten van Picardië? De encyclopedie zegt dat het een regio in Noord-Frankrijk is, van 19399 vierkante kilometer en met ongeveer 1,8 miljoen inwoners. ,,Hoofdstad: Amiens. Grotendeels glooiend kalkplateau met leembodem. Landbouw levert o.a. graan, suikerbieten en voedergewassen. Toerisme langs de kust.''

Interessant? Hmmm. De streeknaam roept ook associaties op met de schelmenroman, wel 'picareske roman' genoemd. Maar verder? Historisch gezien is het vooral een stuk land waar legers doorheen trokken op weg naar de oorlog, een gebied waar eeuw na eeuw boeren voor koning en 'Parijs' belastingcenten bij elkaar zwoegden.

Niet dat er geen geschiedenis ligt op het eindeloos uitgestrekte akkerland. Het is alleen de vraag of die geschiedenis, en in een breder verband 'de geschiedenissen van de streek', interessant zijn voor een breder publiek. ,,Het is waar dat oude verhalen verloren gaan wanneer mensen overlijden'', schrijft Volkskrant-journalist Martin Sommer in de 'Verantwoording' bij zijn boek 'Dorp in Picardië'. ,,Maar over het eminente belang van het opschrijven van álle geschiedenissen kun je strijden.'' Want, zo is de eeuwige vraag van de schrijver, de uitgever, de lezer: doet dit onderwerp er toe? En hoe pak je een onderwerp dat misschien wat mager is, zo in dat het relevant wordt?

'Dorp in Picardië' handelt over de wederwaardigheden van het Noord-Franse dorpje Jeantes, in de Thiérarche. De nadruk ligt hierbij op een periode van bloei, toen een excentrieke Nederlandse pater wat leven in de brouwerij bracht. Die nadruk is goed gekozen; het dorp ligt er heden namelijk wel erg treurig bij.

Het traditionele Franse plattelandsleven loopt op zijn eind. Omdat er geen kinderen zijn is er geen dorpsschooltje meer. Jongeren komen enkel op zon- en feestdagen nog aanrijden bij hun (groot-)ouders. De pater is allang niet meer 'onze' dorpspater, maar een geestelijke die een hele rits dorpen moet onderhouden wegens krimp in de parochies. En het laatste café is dichtgegaan toen de uitbaatster overleed.

Tegelijk is er een bron van nieuw leven in het dorp: Hollanders-met-een-huisje. Als sprinkhanen hebben zij zich de afgelopen dertig jaar op de boerendorpen gestort. Zij komen voor de natuur en de 'echtheid' van het simpele Franse landleven. De houten balken aan het plafond, die de echte, simpele Fransen allang achter betonplaat gestopt hebben om houtrot tegen te gaan, worden te voorschijn gehaald. Antiek markt jes worden afgestruind voor versleten paardenhoofdstellen en authentieke houtkachels. ,,Allemaal kleine Slauerhoffs, die niet in Nederland wilde leven omdat hij daar zijn lusten moest reven'', schrijft Sommer treffend over hen. ,,Maar wel Slauerhoffs met een werkweek van 38 uur, atv-dagen en een waardevast pensioen.''

Hoewel de ontmoeting van Franse boeren en Hollandse randstedelingen als onderwerp best aardig is, is het prettig dat 'Dorp in Picardië' daar slechts zijdelings over gaat. Het eigenlijke onderwerp is de Nederlandse pater Piet Suasso de Lima de Prado, die van 1961 tot zijn dood in 1991

Jeantes bediende. De pater had aan de missie in Afrika een nogal onorthodoxe werkwijze overgehouden, die in de dorpsgemeenschap van Jeantes voor veel rumoer zorgde. Vanuit een moderne visie liet hij de kerk verbouwen: de vermolmde oude preekstoel en kerkbanken eruit, de Nederlandse kunstenaar Charles Eyck erin, plus bonte fresco's en gebrandschilderde ramen, die het kerkje ook vandaag tot een bezienswaardigheid maken.

Ook de liturgie paste de gekke pater aan, als dat zo uitkwam. En ,,het vreselijkste in orthodoxe ogen was dat hij zich van de sacramenten weinig aantrok. Geconsacreerde hosties -het lichaam van Christus- die aan het eind van de mis overbleven, deed hij weer in de doos bij de ongezegende.'' Het spreekt vanzelf dat de pater zich niet bij iedereen geliefd maakte. Tot op vandaag is Piet Suasso onderwerp van gesprek in Jeantes.

Toch doen we Sommer tekort als we 'Dorp in Picardië' afdoen als een boek over een Hollandse pater in Frankrijk. Het boek heeft nog een tweede laag, die tot de verbeelding spreekt. Sommer laat zich constant storen door de twee vragen die hier eerder zijn genoemd: wat is relevant? En hoe wordt het ogenschijnlijk minder relevante interessant? Kortom: hoe beschrijf je op een aanstekelijke manier de moderne geschiedenis van een dorpsgemeenschap?

Deze vragen worden in dit boek uitgesproken, waardoor een 'boek in een boek' ontstaat, over de twijfels die bij het schrijven van dit boek de kop opstaken. Welke methodes kan ik bij de behandeling van mijn onderwerp gebruiken?, vraagt Sommer zich hardop af. Als journalist is hij bedreven in het vraaggesprek. Maar ooit heeft Sommer in de collegebanken ook een cursus 'oral history' gevolgd, en daar ligt de rol van de vragensteller anders: minder sturend, meer op de achtergrond dan in een journalistiek gesprek. Waarvoor kies je in het geval van zo'n boek?

Regelmatig gaat Sommer te rade bij andere schrijvers van plattelandsgeschiedenissen. Hoe behandelt Geert Mak het terugtredende belang van het geloof in 'Hoe God verdween uit Jorwerd'? Is het fenomeen dorpsroddel te zien als de 'directe, dagelijkse, mondelinge geschiedbeoefening' die John Berger ervan maakte in 'Pig Earth'?

Sommer geeft op deze vragen nergens expliciet antwoord. Impliciet natuurlijk wel, omdat zijn verhaal over het plattelandsleven van Piet Suasso telkens overloopt in andere verhalen. Daarin zien we dat hij uiteindelijk gekozen heeft dicht bij de journalistiek te blijven, door reportage-achtig te schrijven over zijn bezoeken aan mensen die pater Suasso na stonden.

Uit elk gesprek, of dat nu is met een organiste, een neef, de schooljuffrouw of de notabelen van het dorp, komen we weer meer te weten over de streek, de mensen, de gebeurtenissen. Alles bij elkaar genomen, komt uiteindelijk een beeld van het hedendaagse Picardië naar voren, waar je wel degelijk iets van opsteekt. De relevantie van het onderzoek is zodoende aangetoond, en wel met behulp van wat in de menswetenschappen 'thick description' heet, 'ingedikte beschrijving'.

Cirkelend om een kleinschalig onderwerp legt de schrijver de belevingswereld van een verdwijnend Frankrijk bloot, en hij doet dat met verve.

Deel dit artikel