Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Een diep gekrenkt ego

Cultuur

Jaap Goedegebuure

Schrijvers zijn lastige vrienden: ze hebben voortdurend bevestiging nodig. Dat geldt ook voor de groten, zoals blijkt uit Hermans’ briefwisseling met Rudy Kousbroek, die hem aanvankelijk niet durfde tegen te spreken.

Het onderhouden van intieme betrekkingen met schrijvers kan een hele opgave zijn. Er zijn er nogal wat die lijden aan de fatale combinatie van een groot ego en een nog grotere onzekerheid. Het gevolg is dat ze van hun naaste omgeving een niet aflatende positieve bejegening en bevestiging verwachten. Wie daarin tekort schiet, krijgt te horen dat hij onloyaal is of, erger nog, verraad pleegt. De behoefte aan aandacht is voor alle onzekeren, en dus ook voor de veeleisende schrijver, een bodemloze put. Dat die put nooit gevuld kan worden is per definitie de schuld van de anderen.

Het schoolvoorbeeld van een veeleisende auteur die het zijn vertrouwelingen knap lastig kon maken, is Willem Frederik Hermans. Wanneer over een jaar of wat de door Willem Otterspeer ter hand genomen biografie verschijnt, zou daar wel eens een dik spoor van ruzies en vetes doorheen kunnen lopen. Bij wijze van voorproefje presenteert Otterspeer nu alvast de briefwisseling tussen Hermans en Rudy Kousbroek.

Het is niet moeilijk om te zien wie in deze relatie de dominante partij was. Bij het begin van de vriendschap was de negen jaar oudere Hermans een gevestigde, hoewel niet onomstreden schrijver. Meesterwerken als ’De tranen der acacia’s’, ’Het behouden huis’ en ’De donkere kamer van Damokles’ lagen achter hem. Met ’Mandarijnen op zwavelzuur’ (1964) had hij de reputatie van Nederlands meest gevreesde polemist verworven.

Kousbroek daarentegen had, op een bundeltje gedichten na, nog geen boek gepubliceerd. Hij worstelde met een roman die nooit af kwam, en vluchtte in duizend en één journalistieke klussen en opdrachten om maar niet met zijn grote literaire ambitie te worden geconfronteerd.

Pas aan het eind van de jaren zestig begon hij naam te maken als essayist. Dat hij Hermans naar de ogen zag, blijkt niet alleen uit de moeite die hij zich gaf om in diens mentale wereld door te dringen, maar ook uit de expliciet beleden huiver om de bewonderde man tegen te spreken. Die liet zich de respectbetuigingen graag welgevallen, hoewel niet zonder de nodige ironie.

Een weeffout die de band tussen Hermans en Kousbroek van meet af aan heeft bepaald, kwam voort uit hun beider psychische reserve. Van pure schaamte en geremdheid lieten ze elkaar nooit het achterste van de tong zien, zelfs niet op ogenblikken dat het toch vanzelfsprekend zou zijn geweest. Toen in 1966 de door Kousbroek reikhalzend verwachte roman ’Nooit meer slapen’ verscheen, kon er bij hem nauwelijks een compliment af. „Ik heb de neiging om te zeggen, ik vertel je nog wel eens in detail wat ik er van vond. Maar in je gezelschap denk ik vaak, dat schrijf ik hem wel eens uitvoerig. Zo komt het dat je van verschillende onderwerpen onkundig blijft.” Wel wilde Kousbroek kwijt dat hij een drukfout in de roman had gevonden. Maar waar die precies stond, wist hij niet te vertellen.

De manier waarop Hermans zijn gekwetstheid toonde, is minstens zo kenmerkend. Per kerende post liet hij weten een tweede deel van ’Nooit meer slapen’ voor te bereiden waarin hoofdpersoon Alfred Issendorf het eerste deel ter lezing geeft aan een vriend die na wekenlange studie niets anders te melden heeft dat dat hij een drukfout heeft aangetroffen.

Kousbroeks halfslachtige houding, door hem zelf ruiterlijk toegegeven in het gesprek met tekstbezorger Otterspeer dat ’Machines en emoties’ besluit, werd aanleiding tot een openlijk conflict toen de in de pers permanent aangevallen Hermans eigenlijk verwachtte dat zijn Parijse vriend hem te hulp zou snellen. Kousbroek riposteerde dat hij dat wel had gewild, maar dat de ’maniakale’ druk die Hermans uitoefende hem verlamde. De kloof die daarmee zichtbaar werd, was weldra onoverbrugbaar. „Blijf mij bewonderen”, klonk het sarcastisch vanuit Groningen, „maar op een afstand. Dat verplicht je zo veel of zo weinig als je zelf verkiest en mij ontneemt het de kans me teleurgesteld te voelen.”

Tenslotte was het de befaamde affaire rond Weinreb die de deur definitief dicht deed. Hermans attaqueerde deze charlataneske bedrieger, die ten onrechte beweerde dat hij tijdens de Duitse bezetting vele Joden had gered, ongemeen fel. Daarbij nam hij ook de pro-Weinreb gemeente, die werd aangevoerd door Renate Rubinstein en Aad Nuis, stevig de maat. Ook in dit geval aarzelde Kousbroek om partij te kiezen, sterker nog: hij helde over naar het kamp van de vijand. Dat vond Hermans onvergeeflijk.

Wat in deze correspondentie vooral treft, is de diepe ernst waarmee de twee vrienden op hun geliefde onderwerpen ingaan. Of het nu oude klokken zijn, de analytische filosofie van Ludwig Wittgenstein of erotische films, ze geven elkaar er uitgebreid college over.

Voor de lichtere passages zijn we aangewezen op de Engelstalige brieven van Ethel Kousbroek-Portnoy, die zich in deze jaren ontwikkelde tot schrijfster met een geheel eigen stem, en die zich in haar epistels aan Hermans daarvoor alvast warmliep. Ze wist de mopperende misantroop met haar openhartigheden te ontdooien en mee te laten spelen in haar schalkse flirtations. Hoe zij het heeft gevonden dat Hermans ook haar de rug toekeerde, blijft onvermeld, maar ik zou er graag wat meer over hebben gehoord.

Lees verder na de advertentie
Rudy Kousbroek (\N)
W. F. Hermans (\N)

Deel dit artikel