Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Dromen van dat vreemde China

Cultuur

ROB SCHOUTEN

Review

Een van zijn 'Nerveuze vertellingen', de titel waaronder Jacob Israël de Haan aan het begin van de twintigste eeuw een aantal opmerkelijke verhalen publiceerde, heet 'Het monster van China' en gaat over een Chinees wiens lichaam ter wille van een circus in een klem is gezet zodat het niet meer kan groeien, alleen het hoofd is gegroeid en staat dan ook als een soort lamp op tafel. Deze Hop-Ki is zeer intelligent en verfijnd maar vanzelfsprekend ook monsterlijk om te zien. Het verhaal eindigt met de fatale daad van Hop-Ki's beschermer John: ,,John legde zijn handen rondom dat grote hoofd, daarna kortaf draaide hij de week-dunne nekwervels om die kreunden. Hij had Hop-Ki vermoord.'

'Het monster van China' is me altijd bijgebleven als een van de meest indrukwekkende, gruwelijke vertellingen in het Nederlands, maar ook als verslag van de tegengestelde krachten tussen aantrekking en afkeer. Dat het over een Chinees gaat, verbaast eigenlijk niet zo, want Chinezen stonden te boek als het meest exotische volk ter wereld, en dat exotisme bestond grotendeels uit een mengeling van verfijning, wreedheid en gruwel.

Een ander literair moment waaruit die opmerkelijke literaire belangstelling voor China blijkt is de vrij onbekend gebleven roman 'Blank en geel' van Lodewijk van Deyssel uit 1892, over een opmerkelijk geval van rasvermenging. De dochter van de bekende architect dr. P.J.H. Cuypers, Mia, was aan het eind van de negentiende eeuw reddeloos verliefd geraakt op een Chinees en er, na het overwinnen van de verbaasde weerzin van haar omgeving, ook mee getrouwd. Van Deyssel wijdde er een roman aan, die door de betrokkene uiteraard niet in dank werd afgenomen.

Beide verhalen hadden heel goed kunnen staan in 'Het grote continent van de Kahn', van Jonathan D. Spence, een uitgebreide studie die geheel en al gewijd is aan het beeld van China in de westerse ogen door de eeuwen heen. Dat zelfs in een betrekkelijk kleine cultuur en literatuur als de Nederlandse het Chinese element op zo'n frappante wijze tot uiting komt zegt wel iets over de fascinerende beeldvorming omtrent China.

Spence, zelf een bekend sinoloog, behandelt als het ware de receptiegeschiedenis van China in de westerse cultuur: vanaf de befaamde verhalen van Marco Polo aan het hof van de Kublai Kahn tot en met sporen van Chinese invloed in het werk van de grote twintigste-eeuwse schrijvers Kafka, Borges en Calvino. Het is een studie zoals je er graag een over je eigen land zou lezen: hoe kijken ze om ons heen tegen de Nederlandse cultuur aan?

De Chinese cultuur is door de eeuwen heen biologerend, exotisch, vreemd geweest maar tegelijkertijd ook, anders dan bijvoorbeeld de Japanse, toegankelijk. Men had voortdurend redelijk vrij toegang tot het land, er waren contacten op staatsniveau, het was een land waar je zelf je indrukken kon opdoen of waar je in de vorm van brieven over hoorde. In de zeventiende en achttiende eeuw ontstond er zodoende zelfs een soort Chinese rage in Europa; men verzamelde chinoiserieën, legde Chinese tuinen met pagodes aan etcetera.

De pers die China in verschillende tijden van het Westen kreeg is heel wisselend, al naar gelang de commentator en zijn bedoelingen. Na Marco Polo's verslag, dat voor een deel als een merkwaardig soort handboek voor toekomstige handelaars op China kan gelden, waren het vooreerst vooral katholieke missionarissen en kooplui die erover berichtten. De een was soms positiever dan de ander, maar bij allen staat een soort curiositeit centraal, naast een niet weten hoe precies te oordelen.

De zestiende-eeuwse missionaris Pereira bijvoorbeeld schreef over de Chinese wreedheid maar gaf tegelijkertijd hoog op van het rechtsstelsel. Zijn tijdgenoot Da Cruz keek nog preciezer en merkte op dat de Chinese hoeren vaak blind waren, buiten de stadsmuren leefden en muzikaal gevormd waren. Ook beschreef hij precies de techniek van het eten met stokjes.

Een deel van de meer gunstige berichten had te maken met de opdracht van de schrijvers, ze moesten per slot van rekening de Chinezen bekeren of handeldrijven, het waren dan ook geen toevallige, ongezochte contacten. Dat leidde soms tot de vreemdste conclusies, zoals die van de zeventiende-eeuwse dominicaan Nacarrete die de Chinezen gebruikte om de jezuïeten te beschimpen. Zo zou volgens hem China een voorbeeldige natie zijn, het afbinden van de voeten verdiende navolging en hij bejubelde 'zelfs de heilzame aard van de Chinese 'pis', die bijdraagt aan de groei van de gewassen, terwijl Europese urine 'alle planten verbrandt en vernietigt'.

Na de aanvankelijk nogal katholiek getinte belangstelling kwamen in de zeventiende en achttiende eeuw de protestanten met een veel onderzoekender, sceptischer en analytischer blik een kijkje nemen. Voor het Tijdperk van de Rede waren de Chinese gewoonten niet zozeer exotisch alswel het bestuderen waard. Toch kwamen ze tot heel verschillende conclusies. De Schotse arts John Bell bijvoorbeeld kleedde zich bij thuiskomst in Schotland enthousiast in Chinese kleding, zijn tijdgenoot Lord Anson daarentegen had geen goed woord voor de Chinezen over: ,,Zoveel kan dan ook onomstotelijk worden vastgesteld, dat veel Chinezen in gewiekstheid, valsheid en alle vormen van winstbejag, nauwelijks worden geëvenaard door enig ander volk.' En ook: ,,Ze lijken dan ook vooral uit te blinken in de imitatie. En dienovereenkomstig werken ze met de geestelijke armoede die steeds bij alle slaafse imitatoren aanwezig is.' Hij veronderstelde zelfs dat het gecompliceerde Chinese schrift erop duidde dat de Chinezen zelf ook niet begrepen hoe de wereld in elkaar zat.

Een soortgelijk vernietigend oordeel spreekt uit Daniel Defoe's China-exercities, als hij zijn held Robinson Crusoë in een vervolgdeel op de Chinese kust laat landen. De grote filosoof Leibniz daarentegen probeerde de Chinese wetenschap met de westerse te verzoenen en in het kader van een wereldwijd intellectueel stelsel zoiets op gang te brengen als de eerste culturele uitwisseling.

In feite bleven alle filosofen van de Verlichting na hem gefacsineerd door de Chinese cultuur, die vaak dienstdeed als een soort ijksteen van de eigen cultuur. Montesquieu bijvoorbeeld liet zich bijpraten door een naar Frankrijk geëmigreerde Chinees, die hem over de cultuur en literatuur van zijn geboorteland inlichtte. Het feit dat dit een verlichte, bekeerde Chinees was zegt natuurlijk wel iets; van het 'ware' China, dat van de miljoenen boeren en het dagelijks geploeter, hadden de wijsgeren geen kaas gegeten.

Het is opmerkelijk dat de eerste authentieke berichten over de echte levensomstandigheden van de Chinezen vooral van vrouwen vandaan komen, veelal vrouwen uit zendelingengeslachten. Zo schrijven de negentiende-eeuwse Eliza Bridgman, Jane Edkins, Mary Frase, Sarah Conger en Eva Price in brieven over het dagelijks leven in China, over de idylle maar ook over de agressie. Eva Price bijvoorbeeld zou met haar hele gezin vermoord worden. Het beroemdste voorbeeld van deze vrouwenvisie komt van Pearl Buck, die met haar roman over het wel en wee van een Chinees gezin, 'The Good Earth', en de verfilming daarvan, voor miljoenen lezers het beeld heeft bepaald.

Heel anders is dan weer het beeld van de Franse avonturier Pierre Loti, die de oriënt beschrijft als 'geel, jachtig, roofzuchtig, aapachtig en obsceen... een geur van geel zweet, wierook en vuiligheid over alles heen, de stank van muskus, prikkelend, ziekmakend, ondraaglijk'.

Die tegenstelling tussen de visies van tijdgenoten zegt wel iets over het soort aantrekkingskracht dat China op zijn bezoekers heeft uitgeoefend: vol begoocheling meestal maar met vaak even zo groot vooroordeel en onbegrip. Een Nederlands versie van dit boek, met bijvoorbeeld De Haan, Van Deyssel, Slauerhoff zou geen heel ander beeld opleveren.

Deel dit artikel