Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Dorpsballaden

Cultuur

SAMUEL DE LANGE

Review

Van mijn grootvader erfde ik de jaargangen 1925 - 1948 van het tijdschrift 'Mensch en Maatschappij'. Het eerste sociaal-wetenschappelijk tijdschrift van Nederland, en het bestaat nog steeds. Het vakblad bracht een zeer Nederlandse versie van de sociologie aan de man, de sociografie. Ontstaan uit aversie tegen de grote theorieën van de negentiende eeuw - marxisme, psychoanalyse e.d. - legde de Nederlandse sociografie zich toe op het verzamelen van feiten, maatschappelijke feiten, en waar kon dat beter dan in kleine kring waar het leven overzichtelijk was? Vandaar de belangstelling voor eilanden en dorpen als Urk en Renkum, en voor de nieuwe nederzettingen in de Wieringermeer en de Noordoostpolder. Al in de tweede generatie van sociografen verscheen een proefschrift over het Overijsselse Staphorst, in 1947, van Sjoerd Groenman. Net te laat om nog in mijn jaargang van 1948 besproken te worden. Twintig jaar later kreeg ik mijn eerste colleges sociologie van professor Groenman. Maar in mijn studententijd zou zijn visie op Staphorst als een gesloten gemeenschap voorbij worden gestreefd door een studie van Hetty Nooy-Palm die in haar 'Staphorster volk' (1971) de geslotenheid en homogeniteit van het dorp in twijfel trok: Staphorst had altijd verbindingen met de buitenwereld gehad, was in de loop van zijn bestaan al zeer veranderd, en maakte lang niet het gesloten front dat iedereen vreesde. Want intussen had de wereld langs anders wegen kennisgenomen van het bestaan van Staphorst. De kranten hadden in de jaren zestig uitvoerig bericht over de hardhandige wijze waarop Staphorsters die zedelijk uit de pas liepen door hun dorpsgenoten tot de orde werden geroepen. De progressieven van die dagen konden prettig rillen bij de artikelen over volksgerichten, schandebogen en mestkarren op het erf.

De literatuur was ook altijd een bron van informatie over het plattelandsleven geweest. De sociografen erkenden graag dat de streekromans van Anne de Vries (1904-1964) en Herman de Man (1898-1946) niet alleen verstrooiing maar ook sociaal inzicht boden. Zo vergeleek Nooy-Palm haar gegevens over hofmakerij meerdermalen met de intrige van 'Een liefde in Staphorst' (1942) van Fred Thomas. Koos Geerds (1948) heeft aan het dorp waar hij van zijn zesde tot zijn zeventiende woonde, de tijd tussen de twee proefschriften in, een gedichtenbundel gewijd, kortweg 'Staphorst'. De veertig gedichten worden losjes bijeengehouden door de jaargetijden die van het voorjaar naar Kerstmis lopen, en door de bezigheden van de Schepper en zijn schepsels: in het begin schiep God het dorp, langs de 'diek' die netjes oost-west liep, en mens en dier hebben daar heel wat te bedrijven, tot op winterdag de rust weerkeert met de wedergeboorte van God tussen de mensen. De dichter schetst met stevige lijnen, zwart aangezet, een samenleving die tegelijk ook de jeugd van een jongen is. Het paasvuur, de dorsmachine, bidden aan het ontbijt, dorpsgekken, jagers, het Ambonezenkamp en de slacht passeren de revue. De titelloze verzen vallen met de eerste regel in huis, 'and what you see is what you get': 'Toen God het dorp schiep, oost en west', 'In het voorjaar verfden de vrouwen de boerderijen', 'En toen was daar het volksgericht', en 'Doodzelden stopte bij het dorp de trein'. (Staphorst heeft geen station, en de trein stopt als iemand zich ervoor heeft gegooid.)

Klederdracht en dialect ontbreken in de gedichten, maar andere zaken die voor zo'n opschudding hadden gezorgd en ook de sociografen hadden beziggehouden - zware godsdienst, seksuele inwijding en eigenrichting - spelen een vooraanstaande rol.

Achter ons huis met het dichtbezette dak,

waar de vogelen van alle windstreken

onder het bestier des mensen werden

geherbergd en verwekt,

met de paarse sering en de gezegende

morellenboom,

de perenboom, de moestuin en de

appelbomen,

werden in de meinachten de bruiloften

gevierd

in het 'Gebouw voor Christelijke Belangen'.

Na de koffie met gebak en dikke sigaar

begon het

drinken, lachen, zingen, lallen en stampen

en tenslotte braken de eerste gillende meiden

met de kerels op de hielen naar buiten

en vulden met krols gekrijs onze tuin.

(Dat was een moment waarop in bed mijn moeder dicht

tegen mijn vader kroop en 'is het geen schande ?' fluisterde.)

's Ochtends vonden wij braaksel,

een pishoek, as,

omgetrapte heesters en platgewoeld gras als sporen

van het gebod: 'Weest vruchtbaar en

vermenigvuldigt u'.

Nee, het was geen schande, en die openlijke vrijerij van de jongeren had niet de zegen van de kerken, maar wel van het Staphorster volk. Toen in 1961 in de kranten het 'venstervrijen' breed werd uitgemeten, een voorechtelijk avontuur dat al op z'n retour was, zei mijn vader tot stomme verbazing van ons gezin dat je zo tenminste wist wat voor vlees je in de kuip had. Zo was dat: boeren geloofden de vruchtbaarheid niet op haar mooie ogen. De sociografie had meer van die eigenaardige tegenspraken in dit godvruchtige dorp ontdekt. De Hervormde kerk deed er niet aan jeugdvorming, maar de jeugd deed des te meer aan tucht.

En toen was daar het volksgericht:

een man en een vrouw op een kar,

met touwen aan elkaar gebonden,

betrapt op overspelige zonde.

Jongens schreeuwden en zongen,

door de ouden opgehitst.

Of de toedracht zo was, is de vraag volgens Nooy-Palm die hetzelfde geval van eigenrichting beschrijft, maar vast staat dat in Staphorst de jongens overspeligen te grazen namen, en erop toezagen dat wie een meisje zwanger had gemaakt haar ook trouwde. Ook 'grootsigheid' van een boer of boerin werd met pesterijen afgestraft. Wie door de ogen van een nieuwsgierige jongen naar een Mensch en Maatschappij wil kijken die voorbij zijn, moet zich de Staperster balladen aanschaffen. De oude sociografie voelt nu beduimeld aan, maar Geerds' observaties zijn nog scherp én mooi:

De machtigste man op het dorp was de

hoefsmid.

Hem bracht een boer zijn paard om te

beslaan,

een merrie of een ruin en soms een hengst,

die om zijn kuren werd gevreesd.

Zo'n paard, dat met een klap of stamp

een man vermorzelen kan, tilde zijn poot

gehoorzaam in de holte van zijn hand,

want hij behoedde hem voor struikelen op al

zijn wegen.

Hij was niet groot of bovenmate sterk,

de smid,

maar voor het paard meer god dan mens.

Deel dit artikel