Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Dichter Frank Starik (1958-2018) mijmerde over zijn naderende dood: Ik wil per se niet ongemerkt wegglippen

Cultuur

Frank Starik

Frank Starik © Patrick Post
Essay

In ‘Klaar’ mijmerde Frank Starik over de dood - die hem op 16 maart 2018 zou treffen. Een voorpublicatie.

Dus zo voelt het om dood te gaan. Niet. Ik had het kunnen weten: vorig jaar is een vriend zowat in mijn armen gestorven. Hij verzette zich hevig. Hij worstelde in een laatste poging op te staan, ergens heen te gaan. Kon niet. Er staken slangen in zijn neusgaten, hij zat vast aan de beademing. Een infuus in zijn arm. Het werd nog net geen vechtpartij. Hij stootte er geluiden bij uit, dierlijke geluiden. De inderhaast opgetrommelde arts verzekerde me dat de stervende er zelf bij afwezig was. Hij merkte er niks van. Dat wist ze zeker.

Lees verder na de advertentie

Zijn laatste uren. Stuipen. Fraai zag het er niet uit, maar dat is dus ongeveer wat er gebeurt als je doodgaat. De dokter zette er een extra spuit in waarvan de stervende - of wat zich in zijn systeem nog verzette - zou kalmeren.

De natte straat, waar een overvolle tram met beslagen ramen langsdenderde en mensen haastig overstaken.

In mijn herinnering springt het beeld al heel vroeg op zwart.

Het is geen prettige gedachte dat je in die afgekoelde toestand alleen als organisme functioneert, als ding, buiten bewustzijn

Ik heb mijn eigen dood van horen zeggen. Ik ken hem alleen als verhaal. Een man van middelbare leeftijd. Achtenvijftig jaar oud. Te jong om zomaar te sterven. Te oud om te spreken van een bloem, in de knop gebroken. Volkomen nikserige leeftijd om dood te gaan. Geen belofte meer, maar ook nog lang niet klaar. Niet voltooid. Hartinfarct. Zwaar.

Niks voor jou, schreef een vriendin. Ze zette er niet bij welke ziekte ze wel bij mij vond passen.

Organisme

Sommige mensen verheugen zich in het vooruitzicht in hun slaap ongemerkt te overlijden. Dat je er helemaal niks van merkt. Ik niet. Ik was ronduit teleurgesteld toen ik bijkwam in een ziekenhuiskamer - geen idee van wat er was gebeurd, wat ik daar deed. Ik merkte wel dat ik vol plakkers zat. Draden eraan. Dat in mijn arm een infuus stak. Op mijn wang zat een zacht reutelend slangetje dat in mijn neusgaten blies.

Er was duidelijk iets misgegaan. Er werd geopereerd, je hart hield ermee op, ze hebben je opengezaagd, kijk maar op je borst. Ze hebben je hart gewoon uit je lichaam getild. Je raakte in coma. Je werd langdurig gereanimeerd. Ze koelden je lichaam tot 34 graden. Dat voorkomt of beperkt hersenschade, zolang dat verdomde hart weigert te kloppen. Een levend lichaam koelen is niet zonder risico, dat kan ook hersenschade tot gevolg hebben, het kan een epileptische aanval veroorzaken.

Frank Starik na zijn operatie in het ziekenhuis. © Vrouwkje Tuinman

Het is geen prettige gedachte dat je in die afgekoelde toestand alleen als organisme functioneert, als ding, buiten bewustzijn. Zo’n epileptische aanval voltrekt zich - anders dan de aanvallen die je normaal alleen in films ziet - in doodse stilte. Heftige contracties van het lichaam. Volkomen ongericht. Mijn lief en mijn zoon hebben me zo gezien. Schokkend. Alsof de rijinstructeur het stuur heeft overgegeven. Ik ben jaren bang geweest bij mijn lief in de auto, een miljoen angstige ogenblikken bij stoplichten - stoplicht springt op groen, auto bokt schokkerig vooruit, slaat af. Het angstaanjagende gehuil van een versnelling die van zijn vier in zijn achteruit wordt geduwd, het heeft me nooit verlaten, ook niet nu ze al jaren in een automaat heel soepel door het verkeer glijdt. Ik ben bang omdat een vriend in een auto is verongelukt, en mijn lief niet lang daarna besloot desondanks haar rijbewijs te halen.

Toeristische route

Nu is ze in het bezit van een rauwe leverkleurige Nissan Micra. Veel stelt het autootje niet voor, maar zijn hart bestaat uit een relatief krachtig een-punt-vierlitermotortje, wat nog best veel is voor de soort, je kunt ze met een veel zwakker hart al krijgen. Als ze vol gas geeft, van de provinciale weg de snelweg op komend, loeit hij een beetje, tevreden, lijkt het wel. Ik vind dat leuk. Ze geeft altijd een extra dot gas als ik bij haar in de auto zit, dan glimlachen we tevreden naar elkaar.

Ze weet dat ik het leuk vind. Dat het lullige autootje kan loeien. Ze laat hem loeien. Voor mij.

Er zijn zes weken verstreken sinds ik bijkwam in dat ziekenhuisbed. Mijn lief tikt op de routeplanner ‘toeristische route’ in, we rijden door weilanden, bosjes, rijke dorpen, langs uitzichten, villa’s in ruimhartige opeenvolging geschikt, iets verhoogd op eindeloos gemaaide grasvelden gedrapeerd, je wilt niet weten wat het kost om zo’n enorm grasveld een beetje netjes te houden. Ons grasveld op de volkstuin is niet veel groter dan een slaapkamer, en moet je kijken hoe dat eruitziet. Alles heeft zo verschrikkelijk veel onderhoud nodig. We zeggen niet zoveel. Wij kunnen samen heel goed zwijgen.

Ik was altijd zo goed met de dood. Hij mag mij niet achteloos meegrissen uit een zie­ken­huis­ka­mer

Ik heb op zich al wel een respectabele leeftijd bereikt voor iemand met mijn levensstijl, het zou me niet verbazen als het binnenkort opeens op is, en voor iemand die zijn einde ras ziet naderen vertoon ik opmerkelijk weinig belangstelling om die levensstijl nog te veranderen en houdt, anderzijds, het lichaam zich bepaald kranig in de dagelijks oorlog die ik met mijn stoffelijk omhulsel voer, van de zestienhonderd sigaretten die mijn zoon voor me importeerde nog een stuk of veertienhonderd te gaan. Er zijn nog zeker drie boeken te schrijven, twee beurzen op te maken, het zou me spijten als ik dat alles onvoltooid achter moet laten, maar hé, zeg nou zelf, ik ben een heel eind gekomen.

Ontnuchterd

Een paar jaar lang werd ik geplaagd door aanvallen van clusterhoofdpijn, de eerste keer dat ik er een moest doorstaan dacht ik dat ik doodging. Ik ben met mijn lief naar de eerste hulp gegaan. ‘We houden hem wel even onder observatie,’ zeiden ze daar. Ik dacht dat het een tumor was. Een tumor ter grootte van een struisvogelei in mijn hoofd.

Een paar weken later werd ik in een scantunnel geschoven. In de tussentijd schreef ik maar vast mijn testament, waarin ik vertelde dat het goed was zo, ik ben erg gelukkig geweest pakweg de laatste twintig jaar van mijn leven; van de eerste wankele schreden op de weg van de gediplomeerde en gesubsidieerde kunstenaar tot mijn laatste jaren als ‘de bekende dichter en schrijver’, een man van verdienste. Heb je gedaan wat je moest doen? Ja, ik heb gedaan. Graag nog een verzameld werk van mijn dan voltooide dichtwerk, lang niet alles, maar pakweg een stuk of vijf, tien toevalstreffers uit mijn eerste bundels en een ruimere keuze aan ‘klassiekers’ uit mijn latere - daar schijn je zelfs subsidie voor te kunnen krijgen, zowel voor de bezorger als voor de uitgever. En als het dan eindelijk de hit wordt waar ik mijn hele leven op heb gewacht, houdt mijn lief daar nog een aardig pensioentje aan over - maar dat is allemaal speculatie, en ongezonde speculatie bovendien. Een man behoort te leven alsof het leven nooit een einde neemt.

© -

Vannacht, in mijn bed, lag ik min of meer ontnuchterd wakker na een vroege dronkenschap, benauwd, sigaret nummer 221 rokend, luisterend naar het gejaagde kloppen van mijn hart, overwegend dat als ik nu zou sterven ik pas morgenmiddag gevonden of niet gevonden word door mijn zoon, die aan het eind van de middag verondersteld wordt thuis te komen, maar die waarschijnlijk teleurgesteld weer afdruipt als hij de deur aan de binnenzijde gesloten vindt - zijn sleutels werken niet als ik thuis ben, dan zit de deur op een haak. Dan moet er politie komen om de deur te forceren.

Ongemerkt wegglippen

Waarschijnlijker is dat hij naar zijn moeder afdruipt, zegt dat hij mij niet thuis aantrof en het erbij laat zitten. Ook bij mijn lief zal het zeker een volle dag duren voor ze ongerust wordt.

Nu ja, het steekt ook niet op een dag, als je dood bent.

Ik wil per se niet zomaar ongemerkt wegglippen. Ik was altijd zo goed met de dood. Hij mag mij niet achteloos meegrissen uit een ziekenhuiskamer, omringd door apparaten, buiten bewustzijn, in een delier - voor mij een nieuw woord, ik kende alleen het delirium, ik moest het opzoeken: “De cliënt is moeilijk aanspreekbaar en ruikt of hoort dingen die er niet zijn of wordt gehinderd door irreële ideeën waar hij niet van af te brengen is.”

Een kip zonder kop. Een op hol geslagen machine. Mijn lief en mijn zoon hebben me zo gezien. Ze schreef dit voor mij:

Er is een man die knippert dat hij ons verstaat,
die grote ogen
zet bij alles wat hem verbaast, en dat is alles,
bijvoorbeeld dat hij
niets kan zeggen. Hij trekt de buizen uit
die hem beperken.

Ik vind vooral dat ik recht heb op een aandachtig sterfbed, op openslaande deuren, op het geruis van de stad, op gordijnen, bollend in de wind, op mijn innigst geliefden om me heen, op een berustende glimlach, op voor iedereen een laatste, welgekozen, troostend woord, op een traag wegzakken in behaaglijke kussens - ik wil een lange tunnel met aan het eind een fel gloeiend licht, net als in de film, ik wil het net als in de film.

Stariks ongewild voorspelde dood

F. Starik (1958-2018) was schrijver, dichter, zanger en beeldend kunstenaar. ‘Klaar’ verschijnt 12 maart en is het vervolg op zijn boek ‘Moeder doen’ (met bijdragen die in Trouw zijn verschenen), waarin hij de belevenissen van zijn dementerende moeder documenteerde. In ‘Klaar’ woont moeder in het verpleeghuis. Ze vergeet wie of waar ze is, wie haar zoon is. Dan krijgt zoon, die voor haar zorgt, een hartinfarct en wordt zelf patiënt. Hij moet stoppen met roken, stoppen met drinken. Moeder en zoon, allebei overgeleverd aan de zorg van anderen.

In ‘Klaar’ overdenkt Starik de weken nadat hij bijkwam op een intensivecareafdeling. Hij is zich bewuster dan tevoren van zijn eigen sterfelijkheid. Toch beschreef hij die al vaker - zoals te zien in een tweede fragment, dat enkele jaren eerder speelt, en waarin hij ongewild heeft voorspeld wat er op 16 maart 2018 daadwerkelijk voorviel. Hij ging eind van de ochtend even liggen en nam een dosis nitroglycerine, zoals wel vaker als hij pijn op de borst had. ’s Middags brak de politie zijn deur open. Het laatste fragment gaat over de dood zoals Starik zich die wenste.

‘Klaar’ wordt zaterdag 16 maart gepresenteerd in Houtzaagmolen de Ster in Utrecht; mmv Modeste Breukers, Martin Fondse, Erik Jan Harmens, Neeltje Maria Min, Vrouwkje Tuinman, Marieke Lucas Rijneveld en Ivo Victoria.

Klaar. Afscheid van moeder en zoon
F. Starik
Nieuw Amsterdam; 288 blz. € 20,99

Lees ook:

F. Starik: het laatste interview met de dichter voor eenzame doden

In het voorjaar van 2018 sprak Trouw-journaliste Sybilla Claus uitgebreid met dichter en schrijver F. Starik, voor een verhaal over zijn stichting Eenzame Uitvaart. Het bleek zijn laatste interview te zijn, Starik overleed kort daarna op 59-jarige leeftijd.

In memoriam dichter F. Starik: van eenzame doden wist hij mensen te maken

Sinds 2002 beheerde Starik de Amsterdamse Poule des Doods, een groep dichters die bij uitvaarten van eenzaam gestorvenen gedichten schrijft en voordraagt.

Deel dit artikel

Het is geen prettige gedachte dat je in die afgekoelde toestand alleen als organisme functioneert, als ding, buiten bewustzijn

Ik was altijd zo goed met de dood. Hij mag mij niet achteloos meegrissen uit een zie­ken­huis­ka­mer