Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De zwarte farao’s

Cultuur

Cees Straus

Museum Mariemont toont het andere koninkrijk der piramiden, dat van Nubië en de woestijn ten westen van de Nijl-vallei.

In tegenstelling tot de overmatig bestudeerde cultuur van buurland Egypte is de geschiedenis van Nubië, zeg maar het hedendaagse Soedan (Arabisch voor Het Land van de Zwarten), niet het populairste onderzoeksthema in de archeologiewereld. Van Nubië wordt gezegd dat er over de hele wereld slechts 44 wetenschappers mee bezig zijn en dat nog maar sinds zo’n 60 jaar. Daartoe behoren ook enkele Belgen die nu samen met musea in Londen en de Soedanese hoofdstad Khartoem het plan hebben opgevat om de Nubische kunst voor een breed publiek uit te leggen.

De aanleiding daartoe is al enkele decennia oud. De aanleg van het Nassermeer en de bouw van de Assoean-dam zou voor de archeologiewereld verstrekkende gevolgen hebben. Onschatbare bouwwerken verdwenen voorgoed als ze niet tijdig werden verplaatst. Dat gebeurde bijvoorbeeld met de twee tempels van Ramses II die 300 meter van hun oorspronkelijke plek moesten worden verschoven.

Andere opgravingen zijn echter voorgoed naar het rijk van de eeuwigheid verplaatst. De vestingen Boerhen en Mirgissa zijn de meest schrijnende voorbeelden daarvan. In heel Nubië – de grenzen van het rijk waar zwart getinte farao’s heersten, liggen in het zuiden van Egypte en het noorden van het huidige Soedan – wachten nog duizenden piramides door zandvlaktes omgeven op deskundig onderzoek. Veel van die bouwwerken zijn leeggeplunderd.

Net als Egypte dankt Nubië zijn welvaart aan de Nijl. In het antieke Nubië lagen vanaf Assoean tot aan Khartoem maar liefst zes cataracten (watervallen) in de Nijl. Die trad eens per jaar buiten zijn oevers en liet daarmee veel leem op het land achter, dat dan weer als bouwmateriaal kon worden gebruikt. De cataracten spelen een essentiële rol in de Soedanese geschiedenis. Rond het tweede cataract ontstond tussen het vierde en derde millennium voor Christus het Rijk van Kerma, ook wel Koesj genoemd, dat nauwe contacten met Egypte onderhield. In deze tijd werd de karavaanweg tussen Egypte en het land van de cataracten als handelsroute gebruikt. Zo ontstond een uitwisseling, niet alleen van goederen, maar ook van cultuuropvattingen.

Grafobjecten uit Koesj laten specifieke vaardigheden zien. Zo werden overledenen op een bed neergelegd dat gedecoreerd werd met ivoren versierselen en het hoofd getooid met mica elementjes. De versterkte stad bezat een religieus centrum met een indrukwekkend hoofdgebouw, Deffoefa geheten. De stad werd bestuurd door administrateurs die de touwtjes strak in handen hadden. Mensen en runderen werden geofferd om samen met de elite te worden begraven.

Het Rijk van Kerma kan als de voorvader van alle Soedanese cultuurvormen worden beschouwd. Het lot van alle sterke culturen is dat ze eens worden overvleugeld door een nog machtigere cultuur en dat was ook hier het geval. Het Egyptische imperialisme nam tijdens de periode van het Nieuwe Rijk bezit van Nubië door de vestingwerken te verwoesten en de grenzen van het eigen land op te schuiven tot aan de streek tussen de vierde en de vijfde cataract. Vooraanstaande Nubische jongeren kregen een opvoeding aan het Egyptische hof zodat ze snel hun eigen zeden en gewoonten verloren. In voorstellingen werden de Nubiërs in onderdanige posities ten opzichte van de Egyptenaren afgebeeld.

Maar ook dan kon het tij keren zodat Egyptenaren en Nubiërs op voet van gelijkheid met elkaar raakten en dezelfde troon deelden. Zo kwamen er donker getinte farao’s op het luipaardvel te zitten en kreeg Egypte een meer op Afrika georiënteerde cultuur. Hoe rijk de Nubische cultuur zich in deze tijd van de derde eeuw voor Christus kon ontwikkelen, blijkt uit het feit dat er een eigen schriftsoort kon ontstaan, het beroemde Meroïtisch. De reden dat het Meroïtische koninkrijk in 400 na Christus met man en muis is verdwenen, is tot op heden niet gevonden. Enkele sites die rond 1930 voor het eerst werden onderzocht zijn met de aanleg van de grote stuwdam van Assoean onder de waterspiegel verdwenen, waardoor ook deze band met het verleden is doorgesneden.

In feite is de aanwezigheid van de islam in de Soedan de enige nog bewust beleefde culturele band met de geschiedenis. Van christelijke sporen is alleen aan de hand van spaarzame fragmenten in musea nog iets te vertellen. Religieuze bouwwerken zijn met de komst van het water verdwenen. Voor de tentoonstelling was de introductie van de islam in dit deel van Noordoost-Afrika minder interessant, zodat het verhaal enigszins abrupt ophoudt. De organisatoren waren zich daar wel van bewust, ze bieden aan de hand van reisverslagen uit de 18de tot en met de 20ste eeuw een slotakkoord dat eerder Europees dan Afrikaans klinkt.

Deel dit artikel