Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De zombie gaat nooit dood. En de zombiefilm ook niet

Cultuur

Belinda van de Graaf

Rockster Iggy Pop als zombie in ‘The Dead Don’t Die’. Hij had voor zijn optreden als zombie vast geen make-up nodig, zo wordt al gegrapt. © rv

De zombie-uitbraak is ook doorgedrongen tot de 72ste editie van het filmfestival in Cannes. Dat opent vanavond met een zombiekomedie. Wat maakt die wandelende lijken toch zo aantrekkelijk?

Een slaperig stadje met stille straten wordt opgeschrikt door een invasie van levende lijken. Zombies zijn het, griezels met een gelig witte huid, holle ogen, zwarte schaduwen rond hun mond en vieze haren. In ‘The Dead  Don’t Die’, de nieuwe film van Jim Jarmusch, wordt één van hen gespeeld door de Amerikaanse rocker Iggy Pop, bekend om zijn verweerde uiterlijk. Hij had voor zijn optreden als zombie vast geen make-up nodig, zo wordt al gegrapt.

Lees verder na de advertentie
Er zijn mensen die afhaken bij een verminkt hoofd maar velen vinden huiveren ook lekker

Het Filmfestival van Cannes opent vanavond met deze zombiekomedie (‘zomkom’) van Jarmusch, en dat is veelzeggend. De filmmaker is sowieso een graag geziene gast in Cannes, maar met deze keuze wijst het festival ook op een trend.  De horrorfilm bloeit, in Cannes zijn dit jaar maar liefst vier griezelfilms te zien. Waaronder nóg een zombiefilm, ‘Zombi Child’ van Bertrand Bonello. 

Zombie uit de klassieker ‘Night of the Living Dead’. © rv

Dat het levende lijk een geliefd personage is, bewijst de razend populaire zombieserie ‘The Walking Dead’, die afstevent op haar tiende seizoen. In die serie moet een groep mensen na de uitbraak van een epidemie zien te overleven in een postapocalyptische wereld vol wandelende doden. Ook in ‘Black Summer’, de nieuwste zombieserie op streamingdienst Netflix, krioelt het van de zombies. Deze exemplaren lopen trouwens niet langzaam, alsof ze in trance zijn of slaapwandelen, maar ze rennen hard grommend achter hun slachtoffers aan. Een van de personages die we volgen is een moeder die haar dochtertje kwijtraakt in de chaos die uitbreekt aan het begin van een zombie-apocalyps. Zombies duiken dus overal op. Wat maakt ze voor kijkers en filmmakers zo aantrekkelijk?

De zombie als kannibaal

Er zijn natuurlijk mensen die meteen afhaken bij een verminkt hoofd of rondspattend bloed, maar velen vinden huiveren ook lekker. Angst doet onder meer adrenaline en het gelukshormoon dopamine rijkelijk vloeien, ook tijdens het kijken naar horrorfilms. Nagelbijtend in de gordijnen hangen bij ‘Halloween‘, of bij de zombieklassieker ‘Night of the Living Dead’ (1968): zo’n avondje griezelen is ook prettig, het lucht op. 

De Amerikaan George A. Romero, regisseur van ‘Night of the Living Dead’, wordt algemeen beschouwd als de uitvinder van de zombie zoals we hem kennen. In de film, die op een kerkhof begint, staan lijken op uit graven. Ze hebben honger. Op de tast, met uitgestrekte armen en weggedraaide ogen, gaan ze op zoek naar warm mensenvlees. De zombies die Romero opvoert zijn kannibalen. En let op: er is besmettingsgevaar. Wie gebeten wordt door een zombie, wordt er zelf ook een. Werkelijk bloedstollend is het om te zien hoe een groepje mensen, verschanst in een verlaten boerderij, zich weert tegen de monsterlijke wezens die maar één doel hebben: hersenen oppeuzelen.

Een van de voordelen van de zombie is dat hij, anders dan de vampier, géén literaire bron heeft

Legendarisch is het verhaal achter de film die met bij elkaar gesprokkeld geld en simpele middelen werd gemaakt door een vriendengroep uit Pennsylvania en uitgroeide tot een sensatie. Zelfs de receptioniste en de grimeuse deden mee als zombies. Een medewerker die voor ander werk veel in slachthuizen kwam, bracht voor de gore scènes ingewanden mee.

Scène uit de Zuid-Koreaanse zombiefilm ‘Train to Busan’. © rv

De kracht van de film is dat hij een enorme energie uitstraalt, heel rauw en direct. Er wordt nergens omheen gedraaid. Tegelijkertijd kon er van alles in de film worden gelezen. De een zag er een commentaar in op de Vietnamoorlog, de ander associeerde de aanwezigheid van een zwarte held in het nauw met de moord op Martin Luther King, gepleegd in het jaar waarin Romero’s ijselijke horror verscheen.

Zombie als crisismetafoor

Het is een populaire theorie dat zombies vooral verschijnen in tijden van crisis. De eerste echte zombiefilm verscheen zelfs midden in de crisisjaren. ‘White Zombie’ (1932) voert naar Haïti, waar een witte voodoo-priester zombie-slaven houdt. Je ziet hier al de holle blik in de ogen van de zombies, maar de hongerige ondode die eind jaren zestig door Romero werd vormgegeven, moest nog worden geboren.

Oorlogen en ongelukken, virussen en mislukte wetenschappelijke experimenten, terroristische aanslagen en milieurampen: ze zijn een vruchtbare voedingsbodem voor de zombiefilm. Het genre biedt filmmakers de kans om ons met onze eigen angsten te confronteren, niet rechtstreeks maar via een omweg. De zombie huist in het rijk van de verbeelding, in een fantasiewereld waar we naar hartelust kunnen griezelen. Of lachen, als het om een zomkom gaat. 

Het is niet moeilijk in de huidige zombie-uitbraak een metafoor te zien voor alles wat rot is in de moderne wereld. Sinds Romero ons met zijn levende doden de stuipen op het lijf joeg, is de zombie een prachtig substituut geworden voor politieke en economische onrust en angsten waarmee we worstelen in ons persoonlijke leven.

De hoofdrolspelers uit ‘The Dead Don’t Die’ nemen het op tegen de ondoden. © rv

Een van de voordelen van de zombie is dat hij – anders dan zijn bloedzuigende familielid de vampier – géén literaire bron heeft. Daarmee geeft hij filmmakers de vrijheid om eindeloos te variëren: er is een zombieclown met kettingzaag gesignaleerd en een zombie die op de zeebodem een haai opeet. Er zijn nazi’s met een zombieleger en zombies die uit de ruimte op aarde zijn neergedaald. 

De zombiefilm lijkt onuitroeibaar, net als het ondode monster zelf: hij staat steeds weer op, of zoals de titel van Jarmusch’ film luidt: de doden gaan niet dood.

Jim Jarmusch © AFP

Wie is filmmaker Jim Jarmusch?

Hollywood is niet voor iedereen het mekka. De Amerikaanse regisseur Jim Jarmusch (66) heeft zich nooit door de filmindustrie aan de westkust laten verleiden. En dat heeft een reden. Hollywoodstudio’s willen zich met alles ­bemoeien: het script, de montage en de keuze van de hoofdrolspelers. Jarmusch, kind van de New Yorkse do it yourself-generatie uit de jaren zeventig, heeft die dingen altijd zelf gedaan. Hij schrijft, ­regisseert, monteert en regelt het geld. Als hij de soundtrack niet zelf inspeelt, vraagt hij Neil Young of stelt hij een mixtape samen met Ethiopische jazz. Het is ongelooflijk, maar tot aan het koffiekopje op tafel, alles is door hem bedacht.

De afgelopen veertig jaar wist de New Yorker ook een heerlijke schare acteurs aan zich te binden waarvan een groot deel terugkeert in zijn nieuwste film, de zombiekomedie ‘The Dead Don’t Die’.

Jarmusch heeft altijd zijn eigen ­invulling gegeven aan genrefilms. Zo maakte hij met ‘Down by Law’ een gevangenisuitbraakfilm waarin de uitbraak zelf niet te zien was, wél het pad dat de drie uitbrekers daarna bewandelen. Met Johnny Depp maakte hij een psychedelische western (‘Dead Man’), met Forest Whitaker een meditatieve misdaadfilm (‘Ghost Dog’) en met Tilda Swinton een super-romantische vampierfilm (‘Only Lovers Left Alive’).

Het zijn ook bijna allemaal roadmovies, of variaties daarop. Films die geprezen worden om hun originaliteit en droge humor, maar de melancholische ondertoon en het warme humanisme zijn minstens zo ontwapenend. De bekendste is waarschijnlijk ‘Broken Flowers’ waarin Bill Murray als midlifer een tocht maakt langs oude vlammen, en met een heerlijke pokerface de levens beziet die hij gehad zou kunnen hebben. In ‘Paterson’ speelt Adam Driver een dichtende buschauffeur die elke dag met ­plezier hetzelfde rondje maakt. ­Jarmusch’ grootste held is Buster Keaton, de legendarische Amerikaanse komiek waarvoor Murray en Driver met hun vaak stille, stoïcijnse spel goede stand-ins lijken.

Vijfendertig jaar geleden ­beleefde Jarmusch met een andere roadmovie zijn grote doorbraak in Cannes. Het schitterende ‘Stranger than Paradise’ (1984) is de film die met bestaande regels brak. De roadmovie die van New York via Cleveland naar Florida voert, is ­gefilmd in korrelig zwart-wit en heeft geen dwingende plot. Het verhaal beweegt op het ritme van een song van Screamin’ Jay Hawkins en de laconieke humor van twee antihelden. Een van hen heeft een 16-jarig nichtje dat vanuit Boedapest naar New York komt en zich tijdens de roadtrip behoorlijk verslikt in de Amerikaanse Droom. Jarmusch, met zijn witte kuif nog steeds de ultieme Mr. Cool, kijkt wel vaker door de ogen van de vreemdeling naar Amerika. Het bekende wordt door zijn lens iets absurds, iets buitengewoons.

Op de rode loper 

Uiteraard maakt Jim Jarmusch zijn opwachting in Cannes, samen met hoofdrolspelers Adam Driver, Bill Murray en Tilda Swinton. Met zijn zombiekomedie maakt hij kans op de Gouden Palm. Van de partij zijn ook drie eerdere winnaars: Ter­rence Malick, Ken Loach en de Belgische broers Dardenne. Artistiek directeur Thierry Frémaux kreeg de afgelopen jaren de kritiek dat hij te weinig oog had voor vrouwelijk talent. Nu selecteerde hij vier regisseuses voor de hoofdcompetitie, onder wie de eerste zwarte filmmaakster in 72 jaar: de Frans-Senegalese Mati Diop.

Spektakel wordt verwacht van Quentin Tarantino, die een kwart eeuw na het winnen van de Gouden Palm met ‘Pulp Fiction’, terugkeert naar Cannes met ‘Once Upon a Time in Hollywood’. Leonardo DiCaprio en Brad Pitt spelen een succesvolle tv-acteur en zijn stuntman die het proberen te maken in Hollywood. Het jaar is 1969, toen sekteleider Charles Manson en zijn volgelingen moordend door de omgeving trokken.

Andere in het oog springende gasten zijn de popster Elton John en de voetballegende Diego Maradona, die de wereldpremière van een aan hen gewijde film bijwonen. De Mexicaanse Oscarwinnaar Alejandro Gonzalez Iñárritu is voorzitter van de jury, waar ook regisseurs Alice Rohrwacher en Yorgos Lanthimos en actrice Elle Fanning in zitten.

Tijdens het festival, dat duurt van 14-25 mei, wordt ook de Amerikaanse horrormaestro John Carpenter geëerd. Hij is schepper van het ijzingwekkende ‘Halloween’ (1978), waarin Jamie Lee Curtis debuteerde als geplaagde babysitter. Rennend voor een gemaskerde engerd met een vlijmscherp mes beleefde ze de engste Halloweennacht van haar leven.

Verdient Alain Delon die hulde wel?

De vraag speelt de laatste tijd vaker op: mogen we een groot kunstenaar wel eren als zijn privéleven ter discussie staat? Zo is er controverse ontstaan rond de Franse filmlegende Alain Delon (83), die zondag in Cannes een ere-Gouden Palm krijgt. De Amerikaanse Melissa Silverstein, oprichtster van de organisatie ‘Women and Hollywood’, zei ‘extreem teleurgesteld’ te zijn in de keuze van het festival voor Delon. De acteur, die in de jaren zestig werkte met regisseurs als Visconti, Antonioni en Melville en een glamourkoppel vormde met Romy Schneider, heeft in een interview toegegeven vrouwen te hebben geslagen. Ook deed hij homofobe uitspraken en is hij supporter van het extreem-rechtse Front National van Le Pen.

Door iemand te huldigen met zulke ‘weerzinwekkende denkbeelden’, geeft het festival geen goed signaal af, vinden Silverstein en ook de Franse feministische organisatie ‘Osez le Feminisme’. In een reactie zei het festival het werk te eren van een iconisch acteur. Delon, die nooit is aangeklaagd voor huiselijk geweld, weigert tot dusver te reageren op het tumult.

Lees ook:

In hedendaagse horror krijgen slachtpartijen diepgang mee

Filmmakers tillen horror naar een hoger plan. In de nieuwe griezelfilm zetten ze traditionele weerwolven, zombies en kannibalen in om forse maatschappijkritiek te leveren. 

Deel dit artikel

Er zijn mensen die afhaken bij een verminkt hoofd maar velen vinden huiveren ook lekker

Een van de voordelen van de zombie is dat hij, anders dan de vampier, géén literaire bron heeft