Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De vriendschap tussen Kit en Ara: een sensibele queeste van Connie Palmen

Cultuur

T. VAN DEEL

Review

Connie Palmen: De vriendschap. Prometheus, Amsterdam; 311 blz. - ¿45 (gebonden) en ¿ 34,90 (paperback).

Dat Connie Palmen aan het onderzoek als verhaal veel belang hecht, bleek uit haar eerste roman. Daarin schreef zij haar hoofdpersoon door een zevental stadia heen, die uit evenveel zelfverkozen leermeesters bestonden. Het was een zoektocht, een queeste naar de wetten van het bestaan, een weetgierigheid die met zoveel verve bleek te zijn opgeschreven en in dialogen gestalte had gekregen, dat zowel de critici als de lezers ondubbelzinnig waren in hun lof. Ik verwacht dat ook 'De vriendschap' dit plezierige lot beschoren zal zijn, want hoewel het in veel opzichten een heel ander boek is dan het vorige, het heeft er structureel en 'mentaal' wel het een en ander mee gemeen.

Het begint op het schoolplein, dat wordt afgebakend met een lage, stenen muur, waartegen de 'slome' meisjes tijdens de pauze staan geleund. Op een morgen staat 'zij' daar plotseling “op een manier, zoals ik nog nooit iemand had zien staan, met een souvereine nonchalance: uitdagend, trots en onverschillig”. De ik die dit vertelt is dan tien jaar en zal in het vervolg Catherina Buts, ofwel Kit, blijken te heten. Het meisje door wie zij meteen bij eerste aanschouwen gefascineerd raakt, is een paar jaar ouder en heet Barbara Callenbach, ofwel Ara.

Het duurt nog geruime tijd voor zij vriendinnen worden. Eerst langzaam dringt Kit door in het leven, de huiselijke omstandigheden en de aard van Ara. Ze wil vreselijk graag, maar wordt op afstand gehouden en zelfs krijgt ze een keer te horen: “Ik vertrouw je niet.” Door dat te zeggen roept Ara bij haar vriendin vanzelfsprekend een hevige neiging op om wel vertrouwd te willen worden en men kan het verloop van de geschiedenis van deze vriendschap, over een dertigtal jaren, in dit perspectief zien. Op het eind van de roman schrijft Kit dit met zoveel woorden.

Ara is het tegendeel van Kit, zoals hun initialen al aangeven: B. C. tegenover C. B. Aangezien Ara ouder, groot en dikkig is en Kit een 'ukkig lichaam' heeft, ontstaat er een bijna moederlijke omgang op het schoolplein, waar Kit altijd tegen het rustgevende postuur van Ara aan hangt. ze hebben, met echt bloed, een 'bloedbroederschapsband' met elkaar gesloten, de twee geprikte wijsvingers eerst tegen elkaar gehouden en daarna om elkaar gestrengeld, een gebaar dat voortaan hun intieme wijze van begroeten zal zijn.

De beschrijving van hun omgang en van de wereld eromheen, thuis, op school, de Eerste Heilige Communie en dergelijke, vindt plaats op een expres wat naïef vormgegeven manier, die dicht blijft bij hoe een meisje van die leeftijd denkt (althans dat is het effect).

Ara is slecht in taal, ze spelt niet goed en is afatisch, reden waarom ze ook maar moeilijk meekomt. Kit daarentegen is al vroeg helemaal iemand van het woord. Ze beweert van zichzelf:

“Zelf ben ik niet goed in iets speciaals. Ik kan eigenlijk alleen maar leuke en gemakkelijke dingen goed, zoals tekenen en toneelspelen, en taal natuurlijk. De juffrouw vindt mijn opstellen altijd mooi en ik vind dat zoiets nu goed klopt, met mij, omdat ik het maken van opstellen ook het liefste doe van alles wat je op school kunt doen en waarvoor je toch punten krijgt, want die krijg je voor toneelspelen niet en het punt voor tekenen is alleen maar voor spek en bonen. Maar met schrijven kun je niet zoveel eer behalen, want het is meer iets voor jezelf en eigenlijk heeft niemand anders daar wat aan.”

De roman beslaat drie delen. Het eerste deel, 'Dingen en woorden', handelt over de lagere-schooltijd en het begin van de middelbare. Deel twee, 'Eten en drinken', wordt vanuit het standpunt van de negentienjarige Kit verteld, die zichzelf karakteriseert als iemand die nadenkt over “liefde, God, geluk, Ara en dood”. Wat Ara betreft: “Ara en ik konden ons niet voorstellen dat we ooit niet bij elkaar zouden zijn. Ik zei tegen haar dat niemand mijn lichaam zo rustig kon maken als zij en zij zei dat ze altijd in mijn woorden wilde wonen.” Deze vriendschap is overigens niet van de liefde die vriendschap heet; de omgang tussen beiden, ook in de latere jaren, is platonisch maar daarom nog niet minder innig.

Het derde deel heet 'Werk en liefde' en beschrijft de vriendschap tot ongeveer het veertigste jaar. Ara heeft een verslaving, en dat is eten, Kit heeft er ook een, en dat is drinken. Op die beide verslavingen gaat de laatste in de slotfase uitvoerig in. Intussen gebeurt er natuurlijk veel in zo lange tijd: Kit is gaan studeren, eerst pedagogische academie, daarna psychologie en filosofie. Ze heeft zelfs van haar twintigste tot haar dertigste een weliswaar getrouwde minnaar. Maar niets of niemand in haar leven, zo blijkt uit alles, kan tippen aan wat het bestaan van Ara voor haar betekent. Het is alsof Ara bij alles wat ze doet en zegt, bij alle keuzes en gevoelens, de doorslaggevende factor is. Wie de geschiedenis van 'De vriendschap' dan ook op een wat ander niveau dan het verhalende wil bekijken, zal al gauw de tegenstelling tussen Ara en Kit in abstractere zin opvatten.

Tijdens haar academische studie was Kit naar eigen zeggen “in de ban van een kluwen onderwerpen, die allemaal cirkelden rondom het meest afgelikte vraagstuk aller tijden: de verbintenis tussen lichaam en geest.” Als ze het daar over had, zei Ara wel eens: “Eigenlijk bestudeer je ons tweeën.” Op het eind geeft Kit dit expliciet toe wanneer ze in een lange en filosofische brief aan Ara schrijft: “De vriendschap tussen lichaam en geest gaat mij aan het hart. Ik zou willen dat jij en ik altijd bij elkaar blijven, zolang wij leven.”

Dat is waarschijnlijk de kern van 'De vriendschap'. Het gaat niet om of het lichaam of de geest, maar de verbinding van beide, want verbintenissen geven pas het leven zin, staat ergens. Net als woorden apart geen bestaan hebben, maar pas iets gaan zeggen in zinsverband.

In het laatste hoofdstuk ontdekt Kit dat ze altijd afhankelijk is geweest van Ara en bijna slaafs haar hele leven de macht die haar vriendin over haar uitoefende heeft opgevat als liefde. “Waarom heb je niet van mij gehouden zonder me te wantrouwen?” vraagt zij en Ara antwoordt: “Omdat je dan niet van mij gehouden zou hebben, beest.” En ergens anders: “De familie, het lichaam, de dood en het lot horen bij elkaar en hun spiegelbeeld wordt gevormd door de vriendschap, de geest, het leven en de keuze. Zij lijken elkaar uit te sluiten, maar om te begrijpen wat ik wil begrijpen, moet je ze bij elkaar brengen, net als dat binnen en buiten, van die filosofen.”

Zo is 'De vriendschap' dan toch nog enigszins allegorisch geworden, net als 'De wetten'. De allegorische lezing, op het eind aanbevolen door Kit zelf, dringt ook door in de manier waarop over het schrijven zelf wordt gesproken. Kit is al van jongsaf een schrijfster in de dop en denken, dus ook schrijven, laat zien hoe je van gedachten kunt veranderen. Het is een proces, een tocht, een onderzoek. “Schrijven is een ander lichaam geven aan je geest.

Het lichaam waarmee ik het moet doen, dat van vlees en bloed, dat stel ik blijkbaar niet graag bloot aan het oog van anderen en daarom maak ik mij een lichaam van woorden, van papier.

Dat stuur ik naar buiten, de wereld in, en dat lichaam mogen de anderen beoordelen. Daar heb ik geen last van en geen moeite mee. Ik hou ervan om me te laten beproeven, maar niet waar ik bij ben.'

Uit het bovenstaande is te weinig gebleken hoe sensibel en precies Connie Palmen allerlei ervaringen kan beschrijven en is te veel het accent gelegd op het 'onderzoek' en te weinig op het 'verhaal'. Dat laatste is overigens meeslepend en afwisselend genoeg en is geschreven in de van 'De wetten' al bekende bondige en denkende trant, geestig en dwingend. Er wordt wel gezegd dat het tweede boek van iemand die zo geprezen werd om haar eerste wel móet tegenvallen, maar dat gezegde wordt hier krachtig tegengesproken.

Deel dit artikel