Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De verkeerde kant van het fatsoen

Cultuur

Rinske Wels

Cabaret is vaak grof. Het liedje ’Stoute Heleen’ waarmee Dorine Wiersma de Annie M.G. Schmidtprijs won is er een voorbeeld van. Maar is cabaret daarmee té grof?

Nadat Dorine Wiersma de Annie M.G. Schmidtprijs voor het beste theaterlied van het afgelopen jaar won met ’Stoute Heleen’ barstte een discussie los. De één vindt het lied, waarin schrijfster Heleen van Royen op niet al te subtiele wijze de les wordt gelezen, te grof en te plat, de ander moet er juist erg om lachen omdat de schrijfster in de taal die ze zelf veelvuldig bezigt te grazen wordt genomen. Mag een cabaretier expres grof zijn om zijn doel te bereiken?

Cabaretier Youp van ’t Hek kon wel lachen om ’Stoute Heleen’: „Ik vond het een onstuimig grappig lied. Hét antwoord op Heleen van Royen. Ze wordt met haar eigen middelen bestreden.”

Cabarethistoricus en theaterdirecteur Frank Verhallen is juist verbaasd dat het lied in de prijzen is gevallen: „Annie zou zelf nooit zoiets geschreven hebben. In haar repertoire is geen lied te vinden waarin grofheid de inhoud is. Bij haar zit het veel meer onderhuids. Zij was een vileine schrijfster die graag de grenzen opzocht in haar liedjes. Scherp genoeg om mensen flink te kunnen ergeren, maar ze bleef balanceren op het randje. Dorine Wiersma gaat er ver overheen. Niet voor mij persoonlijk, het gaat mij vooral om haar stijl.”

Het cabaret is bij uitstek een kunstvorm waarin pastiches aan de orde van de dag zijn. Nederland heeft een uitgebreide waaier aan kleinkunstenaars die in liedjes en conferences de misstanden in de politiek en de excessen in Nederland en ver daarbuiten op een grappige manier aan de kaak stellen. Niet naar ieders smaak misschien, maar het gebeurt vaak wel met een noodzaak. En soms heeft een cabaretier het gevoel dat hij zijn publiek daarbij verbaal flink door elkaar moet rammelen.

Frank Verhallen, die het Koningstheater in Den Bosch bestiert, begrijpt dat Wiersma bewust zulke platvloerse taal gebruikt om haar punt te maken. „Maar dat komt niet verder dan na-apen van de toch al beperkte stijl van Van Royen en dat vind ik niet genoeg. In dit lied wordt grofheid om de grofheid gebruikt, terwijl het cabaretlied een literaire vorm is, waaraan je hoge eisen moet stellen. Stijl is belangrijk. Het gaat om inhoud én vorm.”

Van t Hek vindt dat mensen niet zo moeten ’trutten’ over taal. Hij was een van de eersten in Nederland die straattaal op het toneel gebruikten. „In mijn normale leven praat ik ook zo, dus dat ben ik al heel snel ook op het podium gaan doen. Ik heb daarbij geen rekening gehouden met mensen die zich daaraan storen. Wie dat wel doet, heeft een knop op de tv zitten of kan in de pauze weggaan.”

Van ’t Hek neemt in zijn theatershows geen blad voor de mond en regelmatig klinkt een vloek of een scheldwoord. „Joop Koopman (al meer dan dertig jaar zijn vaste adviseur in het theater – red.) zei een keer tegen mij: ’Vierenveertig keer ’godverdomme’ in één conference is wel genoeg hoor, Youp’. Toen ben ik er een beetje op gaan letten en merkte ik dat het wel wat minder kon. Heeft misschien ook met leeftijd te maken. In de afgelopen Oudejaarsconference zat er geen een meer, volgens mij. Dat neemt niet weg dat ’kut’ ’kut’ is en ’wat een gelul’ is ’wat een gelul’. Als iemand staat te bazelen, kun je dat niet beter samenvatten dan met: ’Wat een gelul’.

De vraag is, of het gevloek en getier van ’s lands bekendste cabaretier geholpen heeft. Van ’t Hek moet lachen: „Natuurlijk! In elk geval voor mijzelf. Maar ik denk ook dat ik er een heel groot publiek mee heb aangesproken en nog steeds aanspreek. Omdat ik gewoon normaal praat, ook op het toneel.”

Een van de pioniers van het Nederlandse cabaret is Eduard Jacobs. Hij begon in 1895 al met het zingen van heel directe liedjes die gingen over de Amsterdamse wijk de Pijp. Daar bestond in die tijd een rauw straatleven, onder meer doordat de wijk een toevluchtsoord was voor prostituees. Een dankbaar onderwerp voor Jacobs die er liedjes als ’Limonadehoertjes’, ’De oude bokken’ en ’Ballade aan de Pijp’ over schreef. Verhallen licht toe: „Eduard Jacobs bracht inderdaad liedjes over de hoerenbuurt, maar daar is absoluut geen grofheid in te vinden, wel duidelijke standpunten. Hij windt er geen doekjes om wat hij ervan vindt. Guus Vleugel, vele jaren later, was ook een tekstschrijver die hard uit de hoek kon komen, maar zijn teksten waren literaire uitingen. Nergens ging hij in taal over de schreef.”

Zo schreef Vleugel bijvoorbeeld het lied ’Arme ouwe’ waarin hij toenmalig koningin Juliana vergeleek met zijn eigen moeder, met ’dezelfde mankementen’: bijgelovig, op de centen en niet al te best gekleed. Nu halen we onze schouders op maar toentertijd – 1966 – stond het land op zijn kop en werd Vleugel aangeklaagd wegens majesteitsschennis.

Is publiek nu ook nog te schokken met platvloers taalgebruik in het cabaret?

Van ’t Hek denkt van niet: „Alles is zo langzamerhand wel gedaan en gezegd”. Volgens hem is het ’de verkeerde kant van het fatsoen’ dat mensen vallen over grove, platte of harde taal. „Er kwam een keer een meneer naar mij toe die ik goed kende, die zei...” Hij zet een zalvende stem op: „Het is wel allemaal heel, heel hard wat je zegt. Ik vind het knap wat je doet, maar het is wel hard”. Hij vervolgt: „Ik zat hem aan te kijken, zo van: man, zeur niet. Vier maanden later werd diezelfde goede man gearresteerd voor de grootste verzameling kinderporno die ze in Nederland ooit hebben ontdekt. En die man had commentaar op mijn taalgebruik!”

Kan het zijn dat een cabaretier vloekt of scheldt om zijn woorden kracht bij te zetten, om ze nog duidelijker over te laten komen bij zijn gehoor?

Frank Verhallen: „Jazeker. De ene keer zal iemand kiezen voor de botte bijl van het sarcasme, dan weer voor het vlijmscherpe mesje van de ironie. Grofheid om de grofheid is betekenisloos.”

Youp van ’t Hek: „Ik noem behoorlijk vaak man en paard, dat is mijn stijl. Laatst schreef ik een column in NRC over zo’n kerel van een bank, die ’politesse, politesse’ riep toen hij werd uitgescholden. Zelf gaat hij met een bonus van vijf miljoen naar huis. En hij laat een bank wankelend op het randje van faillissement achter, waar hebben we het dan over?! Dat soort mensen kun je alleen maar aanpakken door ze keihard uit te maken voor alles wat mooi en lelijk is. Het moet een beetje prikkelen, zodat oudere dames kunnen zeggen: Is dat nou nodig, meneer Van ’t Hek? Ja mevrouw, dat is heel hard nodig.”

Lees verder na de advertentie
Volgens cabarethistoricus Frank Verhallen gaat Dorine Wiersma ver over het randje. (Marc van der Kort) © MARC VAN DER KORT

Deel dit artikel