Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De oorlog achter de vleugel

Cultuur

Monic Slingerland

Review

De joodse pianist Billy Hildesheimer ging als kampbewoner tijdens de Tweede Wereldoorlog met de Oberstleutnant per auto naar een muziekwinkel om daar een goede vleugel te bestellen. Begin april komt zijn oorlogsdagboek uit, nu onder de naam William Hilsley.

Al voordat hij in juni 1940 naar interneringskamp Schoorl werd gebracht zat William Hilsley, toen nog Billy Hildesheimer geheten, veel achter de vleugel. Hij was muziekpeda-goog bij een door de Quakers geleide kostschool in het Brabantse Eerde. Maar ook de vijf jaren dat hij in interneringskampen zat, nam Hilsley regelmatig plaats achter de piano. In vier verschillende kampen bouwde hij met andere geïnterneerden een bloeiend muziekleven op.

Van het leven in die kampen hield hij een geheim dagboek bij, een staccato verslag met een nauwkeurige opsomming van alle muziek die werd uitgevoerd. Het manuscript, dat Hilsley van kamp tot kamp steeds slinks wist mee te smokkelen, lag vergeten op zolder, tot een huisvriend van Hilsley de vellen zag en hem voorstelde het dagboek uit te geven. Begin april komt het dagboek uit, in een Duitse en een Nederlandse versie, samen met een cd met historische opnamen van composities van Hilsley, gemaakt in oorlogstijd.

William Hilsley woont alweer veertig jaar in de toren van kasteel Beverweerd, gelegen tussen de Kromme Rijn en de Langbroeker wetering. Hij werkte als muziekpedagoog op de internationale school die in het kasteel was gevestigd. Twee jaar geleden is de school opgeheven, het kasteel staat nu verder leeg. In zijn torenkamer hoort de nu 88-jarige Hilsley alleen de wind. “Een ideale woonruimte voor een musicus.”

Zijn Steinway-vleugel heeft hij kunnen aanschaffen dankzij van de 10 000 Duitse mark die hij na de Tweede Wereldoorlog kreeg als Wiedergutmachung, ter compensatie voor de vijf kampjaren. “Dat ik als jood niet in een concentratiekamp terechtkam maar in een interneringskamp, had ik te danken aan mijn Britse paspoort. Ik ben in Londen geboren, maar toen ik drie was nam mijn Duitse moeder mij mee terug naar Berlijn. Dat paspoort was het enige Britse aan mij.”

Het lijkt alsof de kamptijd nauwelijks invloed heeft gehad op Hilsley's levensloop. “Eigenlijk is dat ook zo. De doorgaande lijn in mijn leven is begonnen toen ik veertien was en op Salem zat, de kostschool aan de Bodensee, in het zuiden van Duitsland, waar ook de jongste kinderen van Thomas Mann zaten. Omdat die school gemodelleerd was naar het voorbeeld van de Engelse kostschool was het daar een en al sport. Ik was een kind met haar tot op mijn schouders en ik paste helemaal niet in die sfeer. Ik heb daarom op Salem de muziek geïntroduceerd. Toen ik veertien was organiseerde ik daar uitvoeringen.”

Na de kostschool ging Hilsley naar Berlijn om muziek te studeren. Toen de situatie voor joden in Duitsland moeilijker begon te worden, week hij uit naar Nederland. Daar kon hij op de Quakerschool in Eerde als muziekdocent aan het werk.

“Ik ging verder met wat ik op Salem al gedaan had: mensen aan de muziek brengen. Toen ik eind juni 1940 in Eerde gearresteerd werd en naar het interneringskamp Schoorl gebracht, ben ik met muziek verder gegaan. Iedere zondag gaven we een klassiek concert. Daarbij zaten dan drie ... vierhonderd man doodstil te luisteren. Na een tijdje kwam er een groep uit een ander kamp bij. Allemaal mensen van het entertainment, lichte muziek, heel anders dan wij. Dat is nog een flinke ruzie geworden over wie achter de vleugel mocht. Ik ben op een dag achter de vleugel vandaan geslagen en heb daarbij mijn neus gebroken. Die andere groep wilde geen klassieke concerten, dus probeerden we wat anders. Pantomimes, als Engels genre, sprookjesvoorstellingen met muziek en kostuums, cabaret, musicals.”

“In het kamp verbeeldde ik me dat ik er vrijwillig was, dat ik er werkte. Ik kon wel weg, hield ik mezelf voor, maar ik moest er toch maar rustig blijven, omdat dat zinvoller was. Het was mijn opdracht, de geïnterneerden met muziek in een vrolijker stemming te brengen.”

“Ik ben niet zo'n goede pianist en zelfs geen echte componist. Een echte componist kan het componeren niet laten, ik maak alleen iets op verzoek. Maar op mijn sterfbed zal ik tevreden terugzien op mijn leven, omdat het mij gelukt is mensen voor de muziek te interesseren. Dat is het enige waar ik echt goed in ben. In Salem, op Eerde en Beverweerd waren het jonge mensen, in het kamp waren het oude mensen, maar eigenlijk was het altijd hetzelfde.”

Na de oorlog veranderde Hildesheimer zijn naam in Hilsley. Zo'n Duits klinkende naam leek hem niet handig voor internationale tournees. Hij reisde met het ballet Kurt Jooss twee jaar lang de wereld rond, en keerde vervolgens terug naar Nederland. In 1959 werd hij muziekpedagoog op de internationale school Beverweerd.

“Sommigen noemden ons kamp een paradijs. Vergeleken met een concentratiekamp leek dat misschien zo. We hadden sigaretten uit de Rode Kruispakketten, en goede koffie, waar we de bewakers mee omkochten. Soms waren we dronken van de zelfgestookte pruimenjenever, een idee van de oudste geïnterneerden die in deEerste Wereldoorlog nog ervaring hadden opgedaan. En we hadden muziekinstrumenten, we kregen materiaal om een toneel op te bouwen. Maar we zaten wel gevangen achter prikkeldraad. Er waren er die zelfmoord pleegden. Het eten was net genoeg om niet dood te gaan en voor grote eters was het echt veel te weinig.”

“Na de oorlog hoorde ik van mijn moeder dat ik eigenlijk Josef Ben Mendel Hallevi heette. Klinkt mooi, maar het zegt me niets. Bij de kampleiding stond ik geregistreerd als joods. In juni 1942 was het zover. Alle joden en halfjoden moesten naar het kamp Kreuzburg, dertig kilometer ten noorden van Auschwitz. Toevallig waren alle pianisten joods, dus in Tost betekende dat het einde van het muziekleven. In Kreuzburg waren we net met Ghost Train bezig, een grote productie waar ik de pianomuziek voor gecomponeerd had, toen op een dag onze vrienden uit Tost buiten voor het prikkeldraad stonden om te vragen of ze naar binnen mochten. Allemaal niet-joden, maar ze wilden bij ons zijn. Toen was Kreuzburg meteen geen joods kamp meer. Ghost train hebben we nog in een ander kamp opgevoerd, in Lammsdorf, een kamp voor Britse militaire gevangenen. Daar werden we door de kampleiding heen gebracht. Na de uitvoering gingen we weer terug naar ons eigen kamp.”

“In het kamp Schoorl hadden Duitse soldaten gezeten voordat het een interneringskamp werd, en dus was er een vleugel. Duitsers houden van muziek. In Schoorl blaften de SS-bewakers ons af, maar in Tost was Oberstleutnant Buchert, een man met de goede Duitse mentaliteit, die hoe dan ook toch bestond. Hij was echt een heer. Bij hem geen geschreeuwde bevelen. Hij zei bijvoorbeeld: 'Gentlemen, I am sorry, but you have to go to the barracks now'.”

“In het kamp Tost was aanvankelijk geen enkel instrument. De Oberstleut-nant stelde voor, in de nabijgelegen stad Gleiwitz wat instrumenten te gaan kopen en huren. Hoe dat betaald werd weet ik niet. We hadden ons geld moeten inleveren en kregen in plaats daarvan kampgeld, een tientje per week. Misschien was het van dat ingenomen geld dat de vleugel betaald werd. De Duitsers waren allang blij dat we muziekuitvoeringen wilden geven. Ze wilden vóór alles dat de gang van zaken in het kamp rustig en vlot was. Er mocht geen opstand komen. Dus nam Oberstleutnant mij in zijn auto mee naar Gleiwitz. Hij moest daar zelf ook nog wat boodschappen doen, en zo zat in op een gegeven moment helemaal alleen in zijn auto. Ik had zo weg kunnen gaan. Ik had weliswaar geen paspoort meer, maar per slot van rekening sprak ik vloeiend Duits. Ik zou een heel eind gekomen zijn. Toch ben ik in de auto gebleven. Die Oberstleutnant was zo'n fatsoenlijke man, een vriend bijna, ik was het aan hem verplicht.”

“De eerste vleugel die kwam was niet goed, hij was gestemd op een voor ons onbruikbare hoogte. Ik stuurde hem terug en we kregen een andere. Dat werd het centrale instrument van onze uitvoeringen. We hadden een goede cellist, die zijn instrument had meegenomen naar het kamp, een hoboïst, zangers, acteurs, dansers. Muziekpapier kregen we via de YMCA, dat alle interneringskampen mocht controleren.”

“De vertegenwoordiger van de YMCA had de partituur van mijn Fantasie voor hobo meegenomen naar Zweden. Op een dag kreeg ik van een familielid een krantenknipsel met een aankondiging van een radiouitzending van mijn Fantasie. Ik liet dat knipsel zien aan de toenmalige kampcommandant. Dat was niet Buchert, die was al weg. Eerst was er geen sprake van dat ik iets mocht horen, maar later werd ik naar het officiersgedeelte geroepen. 'Nummer 180, hier kommen' klonk het dan. Radio Stockholm hadden we zo gevonden, maar vlak voor de uitzending viel de stroom uit. Luchtalarm. Dat duurt meestal lang. Een halve minuut later knipten alle lichten weer aan. Door de luidsprekers klonk mijn hobofantasie. Een mooie uitvoering, maar wel een beetje te langzaam gespeeld.”

Deel dit artikel