Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De Heilige Maagd in Bosnië

Cultuur

NICOLE LUCAS

Review

Mart Bax: Medjugorje: Religion, Politics, and Violence in Rural Bosnia. VU University Press, Amsterdam; 139 blz. - ¿ 32,50.

Het is een haast rituele verzuchting als het acht-uur-journaal weer eens bloedige beelden uit Bosnië vertoont. Het is een verzuchting die cultureel antropoloog Mart Bax zeer kan irriteren. Want hij duidt volgens de VU-hoogleraar op een groot gebrek aan kennis en, erger nog, onwil om zich wérkelijk te verdiepen in wat er op de Balkan speelde en speelt.

Zo verbazingwekkend is het namelijk niet wat er nu gebeurt, als je de recente uitbarsting van geweld in een lange termijnperspectief plaatst. Eigenlijk is het, zegt Bax, op het Bosnische platteland al vierhonderd jaar oorlog. Het is slechts de intensiteit van het geweld die verschilt. Ook onder Tito heerste er geen rust en orde. “Dat is een fictie, die helaas enorme consequenties heeft voor ons beeld van wat er nu gebeurt.”

Bax baseert zijn conclusies op ruim tien jaar onderzoek in en rond Medjugorje, een dorp in een dorre, kale streek in het zuidwesten van Bosnië, dat in 1981 ineens een plaats op de wereldkaart kreeg toen een groepje kinderen meldde er Maria te hebben gezien. Sindsdien zijn talloze pelgrims er heen getrokken in de hoop dat de Heilige Maagd zich ook aan hun vertoont.

In 1984 sloot Bax zich bij hen aan met het doel onderzoek te doen naar machtsrelaties binnen de kerk, in het verlengde van een soortgelijk onderzoek op het Brabantse platteland. Maar al snel ging Medjugorje een eigen leven leiden. De antropoloog ontdekte dat de Franciscanen, die Maria min of meer hebben geclaimd, haar verschijning gebruikten in een poging de neiging tot geweld tussen verschillende (etnische) groepen in de regio de kop in te drukken.

Wat voor Bax aanleiding was in de historie te duiken van deze streek waar, aldus een inwoner, 'het mes niet bot wordt en het geweer niet roestig'. Geweld, zo laat de antropoloog zien, is een vast element in het Bosnische plattelandsbestaan. “En dan moet je niet alleen denken aan gevechten tussen legers, maar ook aan gangs die elkaar bestrijden of vergeldingsacties.” En vaak lopen verschillende soorten geweld door en langs elkaar heen. “Kijk ook maar wat er nu gebeurt. Alle hoge militairen in Bosnië zijn in hun geboortestreek tegelijkertijd bezig met persoonlijke afrekeningen.”

Veel onbetaalde rekeningen dateren uit de Tweede Wereldoorlog. In Medjugorje kwam toen bijna de helft van de bevolking om het leven. Maar ook daarna is het nooit helemaal 'vrede' geweest. Bax laat bijvoorbeeld zien hoe in de jaren zeventig in de regio opnieuw de zogenaamde Ustasha-beweging groeide: groepjes Kroaten, die zich als tweederangsburger behandeld voelden door het communistische (voor hen synoniem met 'Servische') regime en zich organiseerden in gewapende cellen, zoals hun negentiende eeuwse voorouders ook al hadden gedaan.

Dankzij Maria, aldus een pater, dankzij het geld dat de pelgrims meebrachten, aldus andere autochtonen, werd in de jaren tachtig een grootschalige uitbarsting van geweld voorkomen. Maar toen in 1991 het staatsgezag definitief afbrokkelde hielp ook dat niet meer. Terwijl de pelgrims Maria om vrede in het naburige Kroatië baden, raakten in Medjugorje twee clans met een derde slaags.

Het kwam tot een afrekening tussen de Jerkovici en de Sivrici enerzijds en anderzijds de Ostojici, de clan die het meest van de verschijning van Maria had 'geprofiteerd'. Wat vooral stak was dat de Ostojici daarbij zulke goede relaties hadden opgebouwd met allerlei communistische (en dus als Servische beschouwde) autoriteiten.

In wat de dorpsbewoners de 'kleine oorlog' noemen, lieten in amper een half jaar tijd zeker 140 mensen het leven, verdwenen er zestig spoorloos en sloegen er 600 op de vlucht. En dat op een bevolking van een paar duizend zielen. Zeer opmerkelijk daarbij: de Ostojici kregen het stempel 'kleine Serviërs' opgeplakt, ondermeer omdat ze de hulp inriepen van de (Servische) politie van een naburig dorp.

De hoogleraar: “Etnische identiteit heeft niet de absolute betekenis die wij er aan geven. Die categoriën zijn veel vloeiender dan wij ons kunnen voorstellen. In Medjugorje kreeg één groep de Servische identiteit opgedrongen en ze ging zich vervolgens ook als zodanig gedragen.” Niet alleen tussen Kroaten en Serviërs in Bosnië vinden dergelijke identiteitsverwisselingen plaats. Een promovendus van Bax constateerde in het merendeels door Albanezen bewoonde Kosovo in het zuiden van Servië iets soortgelijks.

De 'kleine oorlog' in Medjugorje eindigde in mei 1992 toen een brigade van de HOS, een extremistische Kroatische militie, een aanval uitvoerde op het kamp van de Ostojici. Die sloegen massaal op de vlucht. Een aantal van hen werd in een naburig ravijn gedreven, de overlevenden vluchtten naar Duitsland. Waar ze zich overigens weer gewoon Kroaten noemen.

Het is deze kennis die volgens Bax zo jammerlijk ontbreekt bij degenen die zich, op welke wijze dan ook, met Bosnië 'bemoeien'. “Men noemt het geweld bijvoorbeeld irrationeel. Maar als je naar de lokale samenlevingsverbanden kijkt, is het allemaal niet zo onlogisch. Je ziet een continu proces van tegenstellingen die worden gevoed door externe en interne factoren.”

Dat buren vijanden worden kan dan niet meer zo verbazen, zeker niet als je bedenkt dat het begrip 'buren' op de Balkan een andere betekenis heeft dan wij vinden dat het zou moeten hebben. “Buren zijn daar zowel vriend als vijand. In een plattelandssamenleving ben je heel afhankelijk van je buren, en dat maakt je kwetsbaar. Mensen daar weten dat het tot conflicten kan komen. De verbazing die ze nu tegenover buitenstaanders daarover uiten, is niet dezelfde als die van ons. Het is er meer een van: we zijn vooral verbaasd dat het zo lang zònder ontploffingen is gebleven”.

Deel dit artikel