Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De hamvraag is: 'Waartoe zijn wij op aarde?'

Cultuur

HANS DIJKHUIS

Review

,,Waartoe zijn we op aarde?'' Het was, geloof ik, de eerste vraag van de catechismus die we op de lagere school uit het hoofd moesten leren, en de enige waarvan ik me het antwoord nog kan herinneren: ,,Wij zijn op aarde om God te dienen en om hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn.'' Zo'n eenvoudig en geruststellend antwoord bevredigt tegenwoordig nog maar weinig mensen, maar de vraag is er niet minder prangend om geworden. Dit is de vraag die 'ons het meest interesseert', merkt de Amerikaanse schrijfster Annie Dillard op in haar boek 'Een beetje goddelijkheid'.

De vraag klinkt dan ook door op haast elke bladzijde van dit boek, al wordt ze zelden uitdrukkelijk gesteld. 'Een beetje goddelijkheid' is een caleidoscopisch werk, een mengeling van reisverslag, levensbeschrijvingen, theologische en filosofische bespiegelingen, statistische cijfers en wetenschappelijke feiten op het gebied van geologie, antropologie en kosmologie. De tek sten zijn ondergebracht in een tiental steeds terugkerende rubrieken, zoals 'ontmoetingen', 'China', 'getallen', 'zand' en 'het kwaad'. Een allegaartje is het boek echter allerminst geworden. Het is het bevlogen en fascinerende verslag van een zoektocht naar het antwoord op die ene hamvraag.

Het geluk in het hiernamaals speelt geen rol in Dillards boek. Het antwoord moet volgens haar worden gezocht in het leven op aarde, maar dan niet in het leven zoals dat door de wetenschap wordt beschreven. De wetenschap is niet in staat zich te richten op de vraag 'Waarom zijn we hier?', schrijft Dillard. Want wat doet de wetenschap? Zij verklaart en categoriseert de vele ernstige vormen van geboorteafwijkingen, zoals vogelkop dwergen en kinderen met kieuwen en een staart, en zij leert dat ieder evolutionair succes nu eenmaal wordt betaald met een groot percentage mislukkingen. Mensen worden dan, zoals de dieren, als soortwezens beschouwd.

De wetenschap onderzoekt ook hoe en wanneer de menselijke soort is ontstaan en hoe zij zich heeft ontwikkeld, generatie na generatie. Zij gaat na hoe zand wordt gevormd en via wind en water wordt verspreid over de aarde, zodat de resten van onze verre voorouders en hun beschavingen vaak onder metersdikke zandlagen zijn bedolven. Dit is ook het lot dat de huidige generaties wacht - we vegen onze vloeren niet alleen uit properheid, maar 'ook om ervoor te zorgen dat we niet worden begraven'. Onze generaties zullen zich voegen bij de zeventig tot honderd miljard mensen die al in de aarde begraven liggen.

De vraag naar het waarom van ons leven wordt bij dit alles niet gesteld. Dat is de vraag van een individu, niet van een exemplaar van de soort. De wetenschap zou hooguit kunnen zeggen: we leven om bij te dragen tot het behoud van onze soort, na ons is het de beurt aan volgende generaties. ,,Zijn we bereid de hele mensheid te zien als een levende boom die uitstekend kan gedijen zonder ons?'' vraagt Annie Dillard zich af. Een boom die bovenaan steeds nieuwe takken krijgt, terwijl de onderste afsterven? Ons door wetenschap gevoede verstand zegt dat dit zo is, maar kunnen we daar genoegen mee nemen? ,,Maar wat is dat voor boom die we hier kweken, die zoveel verspilling en verdriet waard kan zijn? Want allemaal verliezen we alles waar we van houden, iedereen van wie we houden. Wij rouwen en vertrekken.''

Deze spanning tussen de abstracte mensheid en het concrete, liefhebbende of treurende individu beheerst het hele boek. Steeds vraagt Dillard: wie waren zij, wie zijn zij? Wie waren de oermensen van wie de voetsporen in Tanzania bewaard zijn gebleven? Wie zijn de misgeboorten? Wie de mensen die, doorgaans ver van ons bed, bij duizenden zijn omgekomen door natuurrampen? Achter de grote getallen van de statistiek gaan individuen schuil, al dreigen we dat al te makkelijk te vergeten. De bijna 1,2 miljard mensen in China zijn individuen als wijzelf, met onze eigen 'bijzonderheid, belangrijkheid, complexiteit, liefde'. De 138000 Bengalen die in 1991 verdronken, waren individuen als wijzelf - maar wat dachten en deden wij toen we het nieuws van deze ramp hoorden?

Wie alleen naar de cijfers kijkt belandt in het soort cynisme van voorzitter Mao, wiens Grote Sprong Voorwaarts in drie jaar tijds aan dertig miljoen mensen het leven kostte. Mao snoefde ook dat hij bereid was driehonderd miljoen mensen op te offeren in een atoomoorlog. Chinezen waren er toch genoeg. Overigens was Mao bezeten van de gedachte van zijn eigen onsterfelijkheid, evenals zijn wrede voorganger keizer Qin.

Een bevredigend antwoord op de vraag naar het waarom van ons leven is alleen mogelijk als we verder kijken dan wetenschap en statistiek. De filosofie en vooral de theologie moeten dan hulp bieden. Kunnen we het wel stellen zonder godsgedachte? Dillard lijkt te menen van niet. Haar boek is ook een zoektocht naar God, naar een God die volgens ons verstandelijk inzicht niet bestaat, maar die zich wellicht heeft verborgen en alleen te vinden is in zijn afwezigheid. Haar voornaamste inspiratiebronnen zijn de joodse -en met name de chassidische- traditie, en de eigenzinnige jezuïet Teilhard de Chardin, paleontoloog en theoloog. ,,Ik weet helemaal niks van God'', schrijft Dillard weliswaar, maar zij maakt wel duidelijk naar welke soort God haar voorkeur uitgaat. Geen almachtige en albestierende God, de grote regisseur van al het fysieke kwaad dat ons overkomt en van al het morele kwaad dat wij elkaar berokkenen, wel een God die zich -zoals de titel van de Nederlandse vertaling al suggereert- alleen door middel van de mens kan manifesteren en realiseren, een God die ons leert dat elk mensenleven heilig is, en die ons inspireert de wereld naar Zijn idee te vervolmaken en te voltooien.

Deel dit artikel