Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De gekte achter de gevels van Watou

Cultuur

Iris Pronk

Review

Dode paarden, zelfverminking, een afgehakte arm - voor de 23e Poëziezomer in Watou (België) moet je een sterke maag hebben. Onder het motto 'Opzij van het kijken' tasten dichters en beeldend kunstenaars de randen van de werkelijkheid af. Het resultaat is verontrustend.

,,Dat is geen bloed, dat is inkt.'' zegt de 5-jarige Robert. Onaangedaan kijkt hij naar een groot videoscherm, waarop de Servische kunstenares Milica Tomic zich de huid van het lijf scheurt. Dikke druppels bloed biggelen langs haar slapen, uit haar neus, dwars door haar zomerse witte jurkje heen. ,,Ik ben Milica Tomic. Je suis Milica Tomic'', zegt de kunstenares in telkens weer een andere taal.

Hier, in een vervallen boerenschuur in Watou, stroopt zij haar Servische huid af, om via de taal te transformeren tot een Europese vrouw. Mijn maag draait om, maar de kleine Robert blijft stoïcijns naar haar bloederige metamorfose kijken. Zijn moeder vindt dat geen probleem: ,,Je ziet aan haar ogen dat ze gelukkig is.''

Geluk en pijn zijn wel vaker met elkaar verbonden op deze 23e Poëziezomer in Watou. Bijvoorbeeld in de video 'Disguises' van de Noorse kunstenaar Marius Morch. De zoetgevooisde stem van Elvis Presley, die het niet kan helpen dat hij verliefd wordt op jou, begeleidt gruwelijke, grofkorrelige zwart-wit beelden. Een vrouw rent weg voor haar verkrachter, struikelend door het bos. Even later slaan onverschillige kerels op straat iemand dood. De ambiance waarin de videorecorder draait - alweer een donkere boerenschuur, perfecte locatie voor een groepsverkrachting - versterkt de dreiging, de angst. Hier valt niets meer te lachen, hier is geen redding meer.

Voor gastcurator Michel Dewilde, samen met Jan Hoet verantwoordelijk voor de beeldende kunst van deze Poëziezomer, zijn deze twee videowerken belangrijke pijlers. Dewilde arriveerde in de winter in Watou, aan de vooravond van de oorlog tegen Irak. In deze dreigende sfeer trof het boerengehucht hem niet als pittoresk of vriendelijk, eerder als een Vlaamse versie van Twin Peaks, de zwarte soap over een gelijknamig dorp vol potentiële moordenaars. ,,Achter de verstilde dorpsmuren stelde ik me een wereld vol agressie, bandeloosheid en waanzin voor.'' schrijft hij in de catalogus.

Watou als een verdoemd dorp, waar de gekte achter de gevels kolkt. Je kunt het je wel voorstellen, staand op het vierkante dorpsplein, dwalend door de leegstaande hoeves en huizen met hun beschimmelde muren, verzakte daken en krakende vloeren. 'Architectuur in vrije val' noemt artistiek leider Gwy Mandelinck de gebouwen, die tijdelijk onderdak bieden aan zestig kunstwerken en veertig gedichten. Hier is ooit geslapen, gegeten, gewerkt. Maar vast ook geslagen, geschreeuwd en getrapt. De waanzin komt naar je toe deze zomer, vanuit boerenschuren in Watou.

Voor gekken is in het Douviehuis een apart hoekje ingericht. In een kale nis knielt een stenen meisje met haar blik strak op de vloer gericht (het beeld 'Bandage girl' van Kiki Smith). Door een speaker klinkt 'Die kranksinnige', een indringend gedicht van de Zuid-Afrikaan S.J. Pretorius. Opgesloten in één lichaam zitten twee mensen, dicht hij: 'Die een is gek,/ die ander, ek./ Dis hy wat kerm en gil/ maar ek is bang en stil'. Gedicht en beeld versterken elkaar in deze kerkerachtige ruimte, zijn samen van een beklemmende schoonheid.

Stil word je ook van de foto 'Dead by drawning II' van de Amerikaan Andres Serrano: een close-up van een verdronken zwarte man, de mond half open, het leven uit hem weggelekt. Tegenover hem hangt een schilderij van de Nederlandse kunstenaar Ronald Ophuis ('De zelfmoord van Mala Zimetbaum voor haar executie'). Een joodse vrouw in een concentratiekamp probeert zelfmoord te plegen, voordat haar beulen haar grijpen. Het schilderij vliegt je naar de strot, stoot door naar je maag, maakt je kotsmisselijk. Het wordt met de foto verbonden door het gedicht 'Dodenpark' van Gerrit Komrij, dat op een doek voor het raam hangt. Hier, in deze muffe kamer op het Vlaamse platteland, woedt de waanzin van de wereld.

Grote thema's hebben dit jaar bezit genomen van Watou: jodenvervolging, apartheid, foltering, geweld, oorlog. De kunstwerken scheren langs de rand van de actualiteit, richten de blik op een plek 'opzij van het kijken', leggen onverwachte relaties. Bijvoorbeeld die tussen kamerplanten en martelingen. Het kunstwerk 'Stok en plant' van Anne de Vries, opgesteld in een schuur aan de rand van het dorp, doet in eerste instantie denken aan een failliet tuincentrum. Tientallen palmen en bamboeplanten, deels geel en verdroogd, staan naast elkaar voor een houten scherm. Daarachter duwt een militair (op video) steeds weer verdroogde stukken van die plant in de naakte huid van een gevangene. Het effect is bevreemdend, lachwekkend ook.

Spektakel is er genoeg tijdens deze Poëziezomer. Grote stellages waarin enorme dode paarden hangen; een afgehakte arm in een vitrine; straatmeiden die via grote videoschermen een hanengevecht uitvechten. Dit deel van Watou is een spookhuis, een griezelkabinet vol Blauwbaard-kamers. Hier sterft Roodkapje eenzaam op zolder ('Fuck you!'), terwijl dichter Erik Spinoy haar doodsrochel bezingt ('Heden rood/ morgen dood').

Maar er is ook ruimte voor persoonlijke en ontroerende ervaringen. Bijvoorbeeld in een eenvoudige, witte kamer in het oude Postgebouw, waar op de versleten tegels slechts één klein beeldje staat. Het lijkt een dodenmasker, een doodsschreeuw, in steen gevangen door de kunstenaar Juan Munoz. En dan klinkt de stem van Gerrit Kouwenaar, die zijn gedicht 'Totaal witte kamer' voordraagt. En opnieuw. En nog eens. Zo onopgesmukt is deze ruimte, zo aangrijpend het beeld, zo weergaloos mooi het gedicht, dat je er tranen van in je ogen krijgt. Kouwenaars handschrift - op een soort linnen doek voor het raam gespannen - versterkt de intimiteit van de ervaring. Hier is perfect gelukt wat Mandelinck - samen met zijn vrouw Agnes de stuwende kracht achter de Poëziezomers - al jaren nastreeft. Poëzie, ruimte en beeldende kunst gaan een krachtige verbinding aan, maken samen een hele set associaties en emoties los.

Niet spectaculair maar wel indringend is de film waarin Leonard Nolens 'Bres', een cyclus van twintig gedichten voordraagt. Je ziet alleen zijn vingers, die steeds weer een regel wegvegen. Zijn stem is als een repeterende mantra van verlies: het verlies van de jeugd, van identiteit en betekenis. Langzaam maar zeker verdwijn je in het gedicht, verander je mee in een afzijdige, een enkeling, doodgezwegen en weggestemd: 'centraal stonden wij nergens'. Het motto van dit jaar - 'opzij van het kijken' - werd ontleend aan het gedicht 'Rand' van Eva Gerlach. Haar woorden vormen het vertrekpunt voor een reeks verontrustende, indringende ervaringen. In Watou, spookdorpje op de rand van Frankrijk, wil je soms liever wégkijken. Maar lachen kun je er gelukkig ook. Om de vrolijke, levensechte motorrijder van de Thaise kunstenaar Navin Rawanchaikul. Hij reisde de wereld rond in de voetsporen van zijn voorganger Inson Wongsam, de 'Ik, Jan Cremer' van Thailand. En vooral ook om de video Smuggling.com van de Bulgaarse kunstenaar Valio Tchenkov. Die probeert een goedkoop, 19e-eeuws landschapje (Made in China) een museum ín te smokkelen. Zijn filmpje is ontwapend grappig, en typisch Watou: het overrompelt je vanuit een onverwachte hoek.

Deel dit artikel