Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Dat stuk van Schubert, mijn vriend en ik kunnen het niet meer

Cultuur

Rob Schouten

© Maartje Geels
Column

Samen met een goede vriend (die in het dagelijks leven psychiater is, maar dat doet er niet echt toe, net zomin als het ertoe doet dat ik columns schrijf) oefen ik al jaren, vierhandig dus, op de Fantasie van Schubert in F mineur, D. 940. 

Dat is een prachtig werk, vandaar, het enige dat hij aan zijn grote liefde en leerlinge gravin Karolina Esterhazy heeft opgedragen. Musicologen hebben er lyrische dingen over geschreven als ‘het werk is omgeven met een soort echo van innerlijke rijkdom waaronder men niet onverschillig kan blijven. Het is de adem van een wanhopige hoop’.

Lees verder na de advertentie

Wij waren aanvankelijk langzaam op weg naar een passabele voordracht van deze wanhopige hoop, wie weet zelfs een keer voor een select groepje goedwillende vrienden, al wil ik niet beweren dat we de gebroeders Jussen of de zusjes Labèque benaderen, maar die zijn dan ook samen opgegroeid en wij niet.

Wel liet zich soms een lichte incongruentie gevoelen omdat mijn medespeler van huis uit meer met jazz bezig is, terwijl ik een steile klassieke voorkeur bezit. Hoewel we beiden beide partijen wel beheersen, speelt de psychiater zeg maar links, een beetje de begeleidende partij, terwijl de columnist rechts de meer melodieuze partij speelt, hoewel dat in dit stuk nog wel­eens wisselt.

Maar ik durf het niet uit te spreken: de nederlaag is te groot en zou ook de angst voor naderende aftakeling en seniliteit te zeer benoemen

Verdorrende handen?

Toch heb ik geregeld de indruk dat mijn buurman meer haast heeft dan ik en ook meer dynamiek aan de dag legt, als het ware om toch op de voorgrond te dringen, waar ik hem door langzamer en aanmerkelijk zachter te spelen en zo nu en dan te fluisteren ‘con delicatezza, jongen’ van af probeer te brengen.

Ondanks dit alles waren we goed op weg; op een paar duivels moeilijke passages na waar we ons doorheen rommelden brachten we een tijdje geleden het hele stuk tot een behoorlijk einde. Ik zeg met nadruk een tijdje geleden, want ineens is er de klad in gekomen. We kunnen het niet meer. 

Wat er aan de hand is is duister, huwelijksproblemen die de vingers verlammen? Existentiële gedachten die zich niet laten rijmen met kunstmin? Verdorrende handen? Het is een tragisch geval aan het worden, het begin wil nog wel, maar na een minuut of vijf, daar waar het stuk een beetje aan Paganini herinnert, beginnen de eerste tekenen van onze talentloosheid aan het daglicht te treden en ergens op de helft bakken we er helemaal niks meer van; laatst hebben we tijdens een sessie onze pogingen zelfs helemaal opgegeven en zijn maar op de bank gaan zitten om over psychiatrie en literatuur te praten in plaats van onze vriendschap vierhandig te ­vieren.

Ik heb weleens overwogen voor te stellen om naar een makkelijker stuk over te stappen, een Slavische Dans van Dvorak bijvoorbeeld, ook mooi, maar ik durf het niet uit te spreken: de nederlaag is te groot. Het zou ook de angst voor naderende aftakeling en seniliteit te zeer benoemen. Dus ploeteren wij voorlopig voort, in de wetenschap dat onder ons spel de buren zich inmiddels hoorbaar uit hun huizen verwijderen om ofwel op zoek te gaan naar echt grote cultuur dan wel om zich in de kroeg te gaan bezatten.

Eerdere columns van Rob Schouten leest u op trouw.nl/robschouten.

Deel dit artikel

Maar ik durf het niet uit te spreken: de nederlaag is te groot en zou ook de angst voor naderende aftakeling en seniliteit te zeer benoemen