Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Bij Zwarte Jannetje duurden diensten soms de hele nacht

Cultuur

AGNES AMELINK

Review

De zeventiende-eeuwse remonstrantse predikant Frans Kuyper was een lastig man. Hij had een helder verstand en een vaardige pen, maar als het zo uitkwam kon hij liegen dat het gedrukt stond. Zijn tegenstanders - en dat waren er veel - bekladde hij met laster en achterklap. Na een 'heel leven in de contramine' kwam hij in 1691 passend aan zijn eind: bij het zoeken naar kruiden kreeg hij een fatale klap van een molenwiek.

Het is niet vanwege zijn opvliegend karakter en spectaculaire dood dat Franciscus Cuperus een plaats heeft veroverd in het vierde deel van het Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme. Kuyper was maar kort predikant - binnen een jaar had hij ruzie met zijn gemeente in Vlaardingen - daarna werd hij boekdrukker. In die hoedanigheid gaf hij beroemde en omstreden geschriften uit. Verder verwierf hij bekendheid als bestrijder van Spinoza, Bredenburg en Descartes. Hij vond het belangrijk om nauwlettend te volgen wat de duivel op aarde deed; demonische verschijnselen zag hij als bewijs van het bovennatuurlijke.

Kleine bijzonderheden en anekdotes maken het Biografisch Lexicon een boek om van te smullen - mits enige belangstelling voor kerkgeschiedenis voor handen. Overigens is het een serieus naslagwerk, dat alle feiten over figuren uit de protestantse historie netjes bij elkaar zet en daarbij geïnteresseerden op weg helpt met uitgebreide verwijzingen naar verdere literatuur.

Frans Kuyper wordt in het Lexicon behandeld na zijn naamgenoot Abraham. Voor deze negentiende eeuwse theoloog, staatsman, kerkstichter en journalist zijn acht bladzijden ingeruimd (inclusief twee bladzijden literatuur); Frans kreeg er één toebedeeld. Toch is de lectuur over de recalcitrante remonstrant minstens zo boeiend als over de gereformeerde kerkvorst.

Het eerste deel van het lexicon verscheen in 1978. Het heeft er even naar uitgezien dat het werk bij het in 1988 verschenen deel drie zou blijven steken, maar dankzij samenwerking tussen de faculteit godgeleerdheid van de universiteit van Utrecht, de Theologische universiteit van Kampen en het Hervormd theologisch wetenschappelijk instituut ligt het vierde deel er na tien jaar toch.

Opzet van het project is een inventarisatie van alle figuren die in de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme een rol(letje) hebben gespeeld. De enige beperking die daarbij tot nu toe gold, was dat de beschreven persoon vóór 1970 overleden moest zijn. In het vijfde deel, waaraan gewerkt wordt, zullen echter ook de belangrijkste twintigste eeuwers die later gestorven zijn een plaats kijgen. Ook belangrijke figuren die tot nog toe niet aan bod kwamen, zullen daarin moeten zijn opgenomen, aangezien het voortbestaan van de reeks ná het volgende deel ongewis is.

Ooit heeft de redactie, jarenlang onder voorzitterschap van de in 1994 overleden prof. D. Nauta, een lijst opgesteld van 3000 namen die voor beschrijving in aanmerking zouden komen. Tot nu toe zijn er ruim 1200 behandeld, waarvan 364 in deel vier.

Tot de beroemdheden daarvan behoren behalve Kuyper onder meer Hugo de Groot, A.S. Talma en J.H. Gunning jr., maar ook Johannes Coccejus, Petrus Datheen, Wilhelmus à Brakel en de kerkhervormer Johannes à Lasco. Over laatstgenoemd drietal schreef Nauta nog de artikelen.

Van Datheen, die nauw betrokken was bij de Nederlandse opstand, zijn in een rechtse uithoek van de reformatorische kerken altijd nog de door hem berijmde psalmen in ere. De beeldenstormers zongen ze in 1566 al als strijdliederen. Dat Dathenus als een teleurgesteld man stierf, 'in bekrompen omstandigheden', heeft alles te maken met politieke en religieuze geschillen met de prins van Oranje, met wie hij aanvankelijk samenwerkte.

Van een andere psalmberijmer, Ahasverus van den Berg (zijn commissie tekende voor de nog steeds veelgebruikte 'oude berijming') wordt verteld wat hij als het voornaamste doel van het kerklied zag: verstand en gevoel samen te raken.

Namen van vrouwen telt het Lexicon nauwelijks, even afgezien van de talrijke echtgenotes en moeders, die keurig vermeld staan. Niet dat ze hun soms cruciale rol in de kerkgeschiedenis niet gespeeld hebben, maar er is weinig over hen gedocumenteerd. Dan komen ze er niet aan te pas, zoals ook veel mannen van de lijst van 3000 nooit het Lexicon zullen halen.

Uitzondering vormen in deel vier Jantine Auguste Haumersen (1881-1967), de eerste vrouwelijke predikant in de evangelisch-lutherse kerk, en Zwarte Jannetje.

Jannetje Hootsen, zoals deze oefenaarster in werkelijkheid heette, was aanvankelijk Nederlands-Hervormd, maar begon onder invloed van schrijvers van de Nadere Reformatie in 1890 voor zichzelf. Bijeenkomsten waar zij voor ging duurden soms de hele nacht; half-hysterisch ging ze voor in gebed, gaf een psalm op (berijming Petrus Datheen) en sprak vervolgens bevindelijk over een bijbelgedeelte. Ook was er sprake van dansen en grote luidruchtigheid. Vanaf 1898, toen Jannetje ernstig ziek werd, nam haar huisgenoot, de rijke weduwnaar Teunis Hogendoorn, de honneurs waar.

Van Hootsens opvattingen is weinig bekend; zij claimde rechtsstreeks door de Geest te worden beroerd. Haar volgelingen beschouwden haar als de Vrouwe Christi. Omdat haar volgelingen - vooral in Veenendaal en in de Lopikerwaard - de plaatselijke overheden niet als gezaghebbend beschouwden, golden zij als onruststokers. Als 'zwartjannetjes' werden ze vereeuwigd in de streekromans van Herman de Man.

Deel dit artikel